woensdag 22 mei 2013

M deel 3


Medina Sidonia: ASIDO; vindplaats munt

 Medinet Haboe             BK2: relief met afbeelding zeeslag Egypte <> zeevolken

Medjez el-Bab: plaats in Africa

          Megalopolis:        De exacte lokatie is niet bekend. Wellicht is de
                              plaats identificeerbaar met Kerkouane. Megalopolis
                              moet in ieder geval gelegen hebben op het schier‑
                              eiland Cap Bon. Agathocles verwoest de stad in 310
                              na zijn overtocht naar Afrika. De Grieken zijn
                              onder de indruk van de grootte en de welvaart van
                              de stad. De buit is er groot, zodat we gevoeglijk
                              kunnen aannemen, dat de plaats het niveau van een
                              kleine stad had.

          Megara:             Plaatsnaam, die veel in de oudheid voorkomt. Vooral
                              Griekse plaatsen bedienen zich van deze naam. Ook bij
                              Carthago komt de naam voor. Het is de noordelijke
                              buitenwijk met verspreide huizen en landgoederen.

          Meghazil:           Mausoleum te Amrit in Noord‑Fenicië.
          Zie Dl3,267a

Megiddo                       BK2: plaats in de Jizreel vallei.

          Melite:             Melite ligt samen met het er vlak bij gelegen Gaulus
                              ten zuiden van Sicilië en ten oosten van Kaap Bon in
                              de Middellandse zee. Het wordt door Skylax (111) voor
                              het eerst genoemd. De naam is van Semietische oor‑
                              sprong. Melete of Meleta betekent ofwel toevluchts‑
                              oord, ofwel kalk.
                              Volgens Diodorus (V 12) was de in bezitname door de
                              Feniciërs een gevolg van de zeevaart door hen naar
                              het westen toe. Waarschijnlijk is dat pas na 1000 ge‑
                              beurd.
                              De oudste munten hebben de beeltenis van Melkart.
                              Skylax (111) vermeldt omstreeks 330, dat er een
                              Carthaagse haven is.

                              Diodorus Siculus V 12:
                              "Zuidelijk van Sicilië liggen drie eilanden in de
                               hoge zee, die ieder voor zich een stad en haven
                               bezitten, waarin schepen door de storm belaagd,
                               binnen kunnen lopen. De eerste heet Melite. Zij
                               heeft een uitmuntende haven en haar inwoners zijn
                               welgesteld. Het eiland is een kolonie van de
                               Feniciërs. Daar die namelijk het voorkomen tot
                               aan de westelijke  oceaan hebben uitgebreid, bood
                               het havenrijke en midden in de zee gelegen eiland
                               hen een toevluchtsoord."
                              Volgens Gallung is uit deze tekst te lezen, dat de
                              Feniciërs hun tochten naar Gadir in één ruk maak‑
                              ten. Slechts bij slecht weer zouden zij Melite in
                              de haven van Melkart...........

Melitta  kolonie op Malta.

            Melissa = nimf

Mellaria: plaats in Zuid-Spanje. Garum-plaats.

          Mellila:            Zie:Rusaddir.
                              Punische necropool te Cerro de San Lorenzo/3e eeuw.

          Melikertes:         Godin van Corinthe van Semietische origine.

          Melita:             Zie:Malta.

Melos: Egeïsch eiland met Fenicische invloeden.
 
          Melqart:            Zie:"Melqart", R Dussaud in Syria XXV.
                                  "Melqart e sid tra Egitto,Libia e Sardegna",
                                  C Grottanelli, RSF 1973.
 
          Memphis:            Plaats in Egypte, waar ook een Tyrische handelspost
                              gevestigd was (Tyrisch kamp).
                              In 1180 zouden de Feniciërs er een tempel voor
                              As(h)tarte gesticht hebben. BK2
 

Meniko: vindplaats op Cyprus

Meninx = oude naam voor Djerba
 
          Mentz, A:           Auteur van "Beiträge zur Deutung der Phönizischen
                              Inschriften",Leipzig 1944. Hij beweert o.a., dat er
                              geen reden is om te twijfelen aan het feit, dat de
                              Feniciërs omstreeks 1100 in Tartessos in Zuid‑
                              Spanje zijn aangekomen. Volgens Mentz stichten de
                              Feniciërs een plaats EBER, waarvan het Griekse
                              IBERIA is afgeleid.

Menzel Heurr: vindplaats op kaap Bon

Menzel Temime: vindplaats op kaap Bon

          Merante V:          Auteur van "La Sicilia en Cartaginesi in Sardegna", Milano 1968.

Merbalos: maharbaal
 
Merida: plaats in Spanje. Bekend van de naamgeving: werkplaats van Hannibal.

Merneptah        BK2 Egyptische farao

          Mersa bou Zedjar:   Kaap Figalo op de noordkust van Algerije. Hier
                              zijn Punische ruïnes en amforen gevonden.

         Mersa Madakh:       Kustplaats in Algerije. Er zijn twee Fenicische
                              occupaties geweest vanaf de 6e eeuw. Er tussen in
                              heeft zich een brand afgespeeld. De omtrekken van
                              een gebouw van 30 x 35 meter zijn bloot gelegd.

Meša > steen + inscriptie

Mesjwesj          BK2 zeevolk
 
(Bir) Messaouda: opgraving in Carthago

          Metaurus:           Naam van een riviertje in Umbrië.

                  M E T A U R U S .

                  Een veldslag in de oudheid met vele vraagtekens.
                  Zie:ZK DL 2B par.4.4.58 blz 181/543.
                         DL 3  par.19.2   blz 670/1366.
                  Apeldoorn 1987.
                  NC.PHP.56.
                  H.van Diessen.
                  1.           INLEIDING
                  1.1.         Algemeen
                  Deze notitie gaat over de slag aan de Metaurus, die in 207 v C zich  heeft voltrokken tijdens de tweede Punische oorlog. Deze tweede  Punische oorlog was een van de grootste geweldadige confrontaties vanuit de oudheid. De strijd ging tussen 219 en 201 v C tussen de
Romeinen en de Carthagers. Oorzaak was het Romeinse verlangen naar de heerschappij over de hen omringende volken. Aanleiding voor de oorlog vormde de inname van Saguntum door Hannibal. De oorlog was  in 207 al bijna gestreden. Weliswaar was Rome op de rand van de afgrond gebracht, maar Hannibal werd in Italië op den duur toch in het defensief gedrongen en moest zich steeds meer op Bruttië
terugtrekken in het zuiden van Italië.  Zijn broer Hasdrubal moest na vele jaren strijd in Spanje dit land  als vrijwel verloren beschouwen en trok na de doorbraakslag te Baecula met de rest van leger in noordelijke richting naar Zuid‑Frankrijk. Daar overwinterde hij in 208/207 en trok in het vroege  voorjaar van 207 over de Alpen. De Kelten van de Povlakte sloten zich bij hem aan en er is ook een bericht, dat hij van de Liguriërs
versterking kreeg. Via de kustweg langs de Adriatische zee tracht Hasdrubal Italië binnen te dringen om zich daar bij Hannibal te kunnen voegen. Nabij de rivier de Metaurus ontmoet hij met zijn leger een versterkt Romeins leger en het komt daarbij tot de bewuste veldslag.

                  1.2.         De geografische situatie
                  Plaats van handeling is voornamelijk de kuststreek van de provincie Pesaro e Urbino in Italië. De hoofdstad van deze provincie is
                  Pesaro, dat gelegen is aan de kust. De kustvlakte is vrij smal. Al op 1 à 2 km beginnen de uitlopers van de Apenijnen. Het
                  berglandschap wordt doorsneden door talrijke rivieren met scherpe overgangen van het dal naar de bergen. De rivieren zelf zijn smal
                  niet of nauwelijks bevaarbaar. In de zomer bevatten zij weinig water. Een van deze rivieren is de Metauro (Metaurus).

                  1.3.De geschiedenis van de veldslag in hoofdlijnen. Hasdrubal stuurt vanuit de Povlakte een aantal boodschappers naar
                  Hannibal om hem te berichten, dat hij met zijn leger er aan komt en  waar hij hem wil ontmoeten. De boodschappers vallen in handen van
                  de Romeinen, zodat de opmarsroute van Hasdrubal bekend wordt. Het directe gevolg is, dat Hasdrubal bij zijn doorbraakpoging niet tegen één, maar tegen twee consulaire legers moest strijden. Hij verlaat  daarom in de nacht zijn kamp bij waarschijnlijk Sena Gallica en
                  probeert in de duisternis in de bergen van Umbrië te ontsnappen. Hij verdwaalt echter en tegen de ochtend zijn de Romeinen in volle
                  achtervolging. Zij lokaliseren het leger van Hasdrubal en vallen onmiddellijk aan. Dat doet ook Hasdrubal, die vanaf een hoogte het
                  leger van Livius aanvalt. De Galliërs in het leger van Hasdrubal en het leger van Nero blijven door een kloof gescheiden een tijdlang
                  onbeweeglijk tegenover elkaar zitten.
                  Dan maakt Nero een omtrekkende beweging achter het leger van
                  Livius om  en valt Hasdrubal in de flank aan. De Galliërs komen
                  Hasdrubal niet te hulp en het is mede daarom, dat de Romeinen de
                  overwinning behalen. Hasdrubal en een groot deel van zijn leger
                  komen om. De Galliërs vluchten voor zover mogelijk naar de Povlakte
                  terug.

                  1.4.         De overleveringen.
                               {enige passages}.
                  1.4.1.       Livius.
                  XXVII 46,4:Bij Sena was het kamp van de andere consul(dat van
                  Livius Salinator) en ongeveer 500 passen daar vandaan het kamp van
                  Hasdrubal. Toen nu Nero die naderde, maakte hij pas op de plaats
                  verborgen door de bergen teneinde niet overdag het kamp binnen te
                  marcheren.
                  XXVII 47,1+2:De vijanden stonden reeds voor hun kamp in slagorde.
                  Een vertraging tot de slag ontstond doordat Hasdrubal, die met
                  enige ruiters vooruit gereden was,oude schilden bij de vijanden
                  opmerkte, die hij nog niet gezien had en ook vermoeide paarden.
                  Bovendien leek hem de omvang van het leger groter. Toen hij de
                  waarheid vermoedde, liet hij terstond de aftocht blazen en stuurde
                  een afdeling naar de stroom, waar men water haalde om wellicht
                  enkele gevangenen te maken, of om op te kunnen merken, of enigen
                  sterker gebruind waren door een kort geleden uitgevoerde mars.
                  XXVII 47,8 t/m 11:Door zulke zorgen angstig geworden, laat hij
                  omstreeks de eerste nachtaflossing na het doven van de vuren bevel
                  geven om in alle stilte in te pakken en op te breken. In de
                  verwarring en in de donkere onrust worden de gidsen niet goed
                  bewaakt; de ene verbergt zich in een reeds van tevoren bedachte
                  schuilplaats en de andere zwemt via een hem goed bekende oversteek
                  over de Metaurus. Aldus vergist zich het door zijn gidsen verlaten
                  leger allereerst in de weg door het landschap en vele, vermoeid van
                  de mars en het wakker moeten blijven, leggen zich hier en daar neer
                  en verlaten de eenheden.
                  Hasdrubal geeft bevel om, totdat het daglicht de weg toont, de
                  rivieroever te volgen en beoogde, daar hij door het ronddraaien met
                  de bochten van de rivier niet veel vooruit kwam, die over te
                  steken, zodra het daglicht een gunstig oversteekpunt zou geven.
                  Maar, hoe meer hij zich van de zee verwijderde, des te hoger de
                  rivieroevers werden en hij vond geen oversteekplaats. Zo verstreek
                  de dag en gaf daardoor aan zijn vijanden de tijd om hem in te
                  halen.
                  XXVII 48, 1 t/m 17:Nero kwam het eerst met de gehele ruiterij aan
                  en vervolgens Porcius met het lichte voetvolk. Toen deze het
                  vermoeide leger plaagstoten gingen uitdelen en het van alle kanten
                  aanvielen en Hasdrubal de mars, die op een vlucht geleek, al opgaf
                  en op een heuvel boven de oever van de rivier een kamp wilde
                  inrichten, kwam Livius met al het voetvolk er aan, niet in
                  marsformatie, maar al in veldslagopstelling. Nadat ze alle troepen
                  verenigd hadden en de slagveldordening geregeld hadden, stelde
                  Claudius op de rechtervleugel en Livius op de linkervleugel de
                  troepen op. Het centrum was voor de praetor.Hasdrubal onderbrak het
                  versterkingswerk aan het kamp toen hij zag, dat hij vechten
                  moest.en stelde de olifanten op de eerste rij. Dicht bij hen op de
                  linkervleugel stonden de Galliërs tegen Claudius, waarop hij
                  nauwelijks meer vertrouwde dan zij door hun vijanden werden
                  gevreesd; hijzelf nam positie in tegen M.Livius met de spanjaarden‑
                  de rechtervleugel; de Liguriërs stelde hij in het midden op achter
                  de olifanten. De veldslagopstelling was meer diep dan breed; de
                  Galliërs dekten een vooruitstekende heuvel. Het frontgedeelte, dat
                  de Spanjaarden hadden, stootte op de linkervleugel van de Romeinen;
                  hun verste deel van de rechtervleugel viel buiten de slaglinie en
                  bleef bewegingsloos, omdat de tegenoverliggende heuvel verhinderde,
                dat zij van voren of via de flank aanvielen.
                  Tussen Livius en Hasdrubal ontstond nu een geweldig gevecht en een
                  verschrikkelijk bloedbad werd van beide zijden voltrokken. Hier
                  waren de beide legeraanvoerders, hier was het grootste deel van het
                  Romeinse voetvolk en de ruiterij, hier stonden de Spanjaarden, oude
                  en met de Romeinse vechtwijze vertrouwde soldaten en de Liguriërs,
                  een sterk wapengeslacht. Zo ook waren daar de olifanten heen
                  gegaan, die bij de eerste aanval de Antesignanen in wanorde
                  gebracht hadden en al de Signa zelf teruggedrongen hadden. Toen
                  riep Claudius de soldaten toe "Waarom zijn wij in ijlmars zo'n lange
                  weg gegaan" en nadat hij vergeefs de troepen de tegenoverliggende
                  heuvel had proberen op te leiden  en gezien had, dat hij hier niet
                  bij de vijand kon komen, trok hij een groot deel van de cohorten
                  weg van de rechtervleugel, waar, zoals hij zag  meer een nietsdoend
                  staan als een slag zich zou ontwikkelen, en voerde ze om de
                  slaglinie heen en maakte onverwachts voor de vijanden, maar ook
                  voor de zijnen een aanval op de linkerflank[?] der tegenstanders.
                  En de snelheid[waarmee deze beweging werd uitgevoerd]was zo groot,
                  dat toen hij zich nauwelijks in de flank had getoond, zij ook reeds
                  in de rug vochten. Toen dan de strijd en het geschreeuw
                  aangroeiden, lieten zich [de olifanten] al niet meer sturen en
                  liepen tussen de beide slaglinies op en neer en niet meer wetend
                  tot wie ze hoorden, gelijkend op schepen, die stuurloos ronddreven.
                  Aldus werden van alle zijden de Spanjaarden en Liguriërs
                  neergeslagen en de slag was al bij de Galliërs gekomen.
                  Hier was de minste strijd; want een groot deel was niet bij de
                  veldtekens, in de nacht uit elkaar gevallen en lagen overal
                  uitgestrekt op de akkers te slapen en die er wel waren, waren door
                  de mars en het nachtwaken vermoeid en de vermoeienissen niet
                  gewoon, konden ze de wapens bijna niet meer dragen. En het was al
                  middag en de dorst en de hitte maakten de uitgeputte soldaten rijp
                  voor gevangenname of dood.

                  1.4.2.       Polybius.

                  XI 1 t/m 12:Hasdrubal stond dit alles niet aan, maar, omdat de

                  situatie geen ommekeer meer gedoogde, omdat hij zag, dat de

                  vijanden al opgesteld waren en oprukten, was hij gedwongen om de

                  Iberiërs en de bij hem aanwezige Galliërs op te stellen. Nadat hij

                  nu de olifanten, een tiental,voor de troepen had opgesteld en de

                  diepte van de slaglinie had vergroot en de gehele kracht op een

                  geringe ruimte had samengebald, en bovendien zijn standplaats in

                  het midden achter de olifanten had gekozen, deed hij de aanval op

                  de linkervleugel van de vijanden, omdat hij oordeelde, dat men in

                  deze strijd overwinnen, of sterven moest.

                  Livius ging nu de vijanden stormachtig tegemoet en toen hij met

                  zijn troepen met die van de anderen contact had gemaakt, vocht hij

                  dapper.

                  Claudius echter, die op de rechtervleugel stond, kon niet vooruit

                  komen en kon de tegenstanders niet omsingelen vanwege de ervoor

                  liggende terreinhindernissen. Daarop had Hasdrubal ook vertrouwd

                  toen hij zijn aanval op de linkervleugel van de vijanden gemaakt

                  had. Omdat[Claudius] nu in verlegenheid geraakt was daarover, bezag

                  hij de situatie en bedacht wat te doen. Hij trok met zijn soldaten

                  van de rechtervleugel achter de slaglinie om en overvleugelde de

                  linkervleugel van de eigen slagopstelling en viel de Carthagers in

                  de flank aan en brak in bij de olifantenlinie.

                  Tot die tijd was de slag onbeslist. Want de soldaten aan beide

                  zijden vochten dapper, omdat noch de Romeinen hoop op redding

                  hadden, als zij verloren, noch de Carthagers en Iberiërs. De

                  olifanten hadden hun nut aan beide zijden, omdat zij in het midden

                  ingesloten waren en beschoten werden, brachten zij zowel in de

                  rangen van de Romeinen als bij de Iberiërs wanorde teweeg. Zodra

                  echter de mensen van Claudius de vijand in de rug aanvielen, werd

                  de strijd ongelijk, omdat de ene helft de Iberiërs van voren en de

                  andere helft hen van achteren bedreigden. Zo kwam het, dat de

                  meeste Iberiërs tijdens deze strijd vielen. Van de olifanten kwamen

                  er zes tegelijk om met hun bemanning, de overige vier doorbraken de

                  rangen en werden later zonder de Indiërs gevangen genomen.

                  IX 3,1 t/m 3:Toen de Romeinen de overwinning behaald hadden,

                  plunderden zij onmiddellijk het kamp van de tegenstander en doodden

                  vele Kelten, die dronken lagen te slapen, als offerdieren. Zij

                  brachten ook de overige buit aan gevangenen tezamen, waarvan het

                  losgeld 300 talenten opleverde voor de staatskas. Van de Carthagers

                  en Kelten kwamen in de slag niet minder dan 10.000 personen om en

                  van de Romeinen tegen de 2000 man. Enige voorname Carthagers

                  werden gevangen genomen, de anderen werden gedood.

 

                  1.4.3.       Zonaras.

                  IX 9 P.I 433:[Nero] marcheerde haastig naar Hasdrubal en kwam in de

                  nacht bij zijn collega aan en overnachtte in zijn kamp. En zij

                  bereiden zich beiden voor om hem plotseling aan te vallen. Het

                  bleef voor Hasdrubal echter niet verborgen, want hij hoorde dubbele

                  signalen. Want iedere consul liet voor zich blazen. Daar hij nu

                  vermoedde, dat Hannibal was overwonnen en vernietigd, want anders

                  zou Nero niet tegen hem zijn opgetrokken, besloot hij om naar de

                  Galliërs terug te keren en daar preciezere berichten af te wachten

                  en de oorlog in alle rust voort te zetten.

                  B:En dus brak hij midden in de nacht op. De consuls bemerkten uit

                  het lawaai, wat er zich afspeelde, maar braken vanwege de

                  duisternis niet op. Bij dageraad stuurden zij eerst de ruiterij in

                  de achtervolging en zijzelf daarachter. En toen Hasdrubal zich

                  tegenover deze ruiterij opstelde in slagorde, omdat hij geloofde,

                  dat zij alleen waren, kwamen de consuls en overwonnen hem en

                  doodden velen op hun vlucht. Ook de olifanten konden hen niet

                  helpen. Want, omdat enige van hen gewond waren en de achter hen

                  staande troepen meer onheil aandeden dan de vijand, gaf Hasdrubal

                  opdracht aan de begeleiders om de gewonde dieren onmiddellijk te

                  doden. Op de gemakkelijkste manier werden zij met het zwaard achter

                  de oren gestoten en zo gedood. Zo werden zij door de Carthagers

                  gedood, de mannen echter door de Romeinen. Er vielen er echter

                  zoveel, dat de Romeinen het moorden genoeg vonden en de anderen

                  niet meer wilden achtervolgen. Nadat ze vele anderen en ook

                  Hasdrubal hadden gedood en de grootste buit hadden gemaakt en 4000

                  gevangen Romeinen in het kamp gevonden hadden, geloofden zij, dat

                  zij voldoende de overwinning te Cannae weer goed gemaakt hadden.

 

                  1.4.4.       Appianus.

                  52:Toen de brief [van Hasdrubal] door de Romeinen was onderschept,

                  kwamen de consuls Salinator en Nero, nadat ze het aantal soldaten

                  uit de brief waren te weten gekomen, met hun gehele macht op

                  dezelfde positie samen en sloegen hun kamp op bij de stad Sena

                  tegenover hem. Deze wilde echter niet vechten en week terug, omdat

                  hij met zijn broer wilde samenkomen. Toen hij in de nacht opbrak

                  verdwaalde hij in moerassen en venen en bij de niet overschrijdbare

                  rivier, todat de Romeinen hen bij dageraad verspreid en moe van de

                  slapeloosheid en de vermoeienissen aantroffen en samen met de

                  leiders de meesten van hen, die zich nog opstelden en standhielden,

                  doodden; en daarbij Hasdrubal zelf. Zij maakten ook vele gevangen.

 

                  2.           DE LEGERS.

                  2.1.         De bevelhebbers.

                  Bij het Carthaagse leger was dat maar één figuur:Hasdrubal. Deze

                  broer van Hannibal had 10 jaar lang Spanje verdedigd tegen de

                  binnenvallende Romeinen en had tussendoor ook nog een opstand

                  onderdrukt in Noord‑Afrika. Hasdrubal's grootste succes op het

                  slagveld lag in de z.g. dubbelslag tegen de Romeinse broers C. en

                  G.Scipio, die in Spanje vrijwel hun gehele leger verloren.

                  Hasdrubal's voornaamste kracht lag echter in het organiseren en in

                  het diplomatiek optreden tegenover (eventuele) bondgenoten.

                  Aan Romeinse zijde opereren drie bevelhebbers.Enerzijds zijn daar

                  Livius en Porcius. Livius is de consul en voert het opperbevel.

                  Porcius is de aanvoerder van het lichte voetvolk. Nero is de consul

                  van het Romeinse leger in het zuiden, die Hannibal in Apulië

                  bewaakt en die na de onder‑

                  schepping van de boodschappers van Hasdrubal, het beste deel van

                  zijn troepen meeneemt naar het noorden, waardoor Hasdrubal tegen

                  zowat twee consulaire legers moest strijden.

 

                  2.2.         De strijdkrachten.

                  Het leger van Hasdrubal moet ongeveer 30.000 man sterk geweest

                  zijn. Het bestond grotendeels uit Iberiërs, Kelten en Galliërs.

                  Mogelijk hebben zich ook wat Liguriërs aangesloten. Verder bestond

                  het leger uit kleine eenheden Carthagers(de officieren), Libyërs,

                  Ibero‑Feniciërs en anderen.

                  Ook de Romeinen en hun bondgenoten moeten ongeveer dit aantal van

                  30.000 man bij de Metaurus verzameld hebben.. Livius, Porcius en

                  Nero moeten samen over 5 legioenen beschikt hebben. De helft

                  daarvan bestond uit

                  Romeinen en de andere helft uit bondgenoten en dat waren

                  voornamelijk Italiërs. De volgende volken & stammen stonden aldus

                  tegenover elkaar:

                  Romeinen        15.000         Carthagers      1000

                  Italiërs        15.000         Iberiërs        9000

                                                 Kelten          5000

                                                 Galliërs        9000

                                                 Overigen        6000

                  ___________________________________________________

                  TOTAAL          30.000         TOTAAL        30.000

 

                  Dit zijn ingeschatte getallen, want uit de overlevering zijn ons

                  geen exacte getallen van de verschillende contingenten bekend. Er

                  is alleen één bericht, dat er in het leger van Hasdrubal 8000

                  Liguriërs zouden zijn geweest, maar dat is vrij dubieus.

 

                  3.          DE LOKATIES.

                  3.1.        Posities vppr de veldslag.

                  3.1.1.      Algemeen.

                  Vppr de veldslag hebben het leger van Hasdrubal en dat van Livius

                  op tamelijk goed verdedigbare posities enige tijd tegenover elkaar

                  gelegen, totdat Nero Livius te hulp kwam. Tussen beide legerkampen

                  lag een riviermonding. In aanmerking komen zowat alle rivieren in

                  de streek. De diverse auteurs over de slag aan de Metaurus noemen

                  bijvoorbeeld de volgende mogelijkheden(van zuid naar noord). De

                  opsomming is niet uitputtend.

 

                  3.1.2.      De monding van de Misa.

                  Bottini Massa spreekt zich uit voor de Misa monding. Het kamp van

                  Hasdrubal zou gelegen hebben op de heuvel "della Neve" en het kamp

                  van Livius zou gelegen hebben op de heuvel"del Vallato". De kampen

                  moeten dan gelegen hebben bij de huidige dorpjes Cannella en

                  Vallone of direct ten noordoosten daarvan.

 

                  3.1.3.      De monding van de Cesano(Sena).

                  Volgens de zienswijze van Pittaluga en Oehler moet de

                  uitgangspositie van beide kampen gelegen hebben aan de oevers van

                  de Cesano. Het kamp van Hasdrubal aan de heuvel"Vecchio" en dat van

                  Livius aan de heuvel"d'Oro" nabij Oratorio del Monte. Dit komt

                  overeen met de huidige dorpjes Le Centro Croci en Scapezzano.

                  Ook Kromayer‑Veith conformeert zich aan deze zienswijze.

 

                  3.1.4.      De monding van de Metaurus.

                  Deze mogelijkheid is in de literatuur niet of nauwelijks

                  beklemtoond. Livius zou bij S.Egidio zijn kamp gehad kunnen hebben

                  en Hasdrubal te of ten zuiden van Fanum Fortunae. Dit zijn

                  respectievelijk de dorpen Metaurilla en Madonna del Métauro.

 

                  3.1.5.      De monding van de Arzilla.

                  Deze mogelijkheid wordt door K Lehmann naar voren gebracht. Hierbij

                  nemen Livius en Porcius ten noorden en ten westen van Fanum

                  Fortunae posities in en is het kamp van Hasdrubal direct ten

                  noorden van de rivier de Arzilla gedacht. Beide posities liggen dan

                  binnen de huidige stad.Fano voor wat betreft de Romeinen.

                  Hasdrubal's kamp ligt daar net buiten.

 

                  3.1.6.      Landinwaarts.

                 Volgens Tarducci zou de beginopstelling en ontmoeting veel meer

                  landinwaarts gelegen hebben. Fermignano is een mogelijke plaats,

                  waarbij Hasdrubal op de noordoever en Livius op de zuidoever

                  stellingen zou hebben betrokken.

 

                  3.2.        De nachtelijke troepenbewegingen.

                  3.2.1.      Hasdrubal's leger.

                  Diverse mogelijkheden zijn geopperd. Pittaluga en Oehler geven de

                  route aan van de oever van Cesano door de heuvels in westelijke

                  richting langs Mondolfo en de Monte Shiantello naar S.Angelo op de

                  zuidoever van de Metaurus.

                  K Lehmann laat het leger van Hasdrubal over de Monte La Luca in

                  zuidelijke richting naar La Lucrezia trekken aan de via Flaminia.

                  De andere auteurs zijn over het algemeen niet zo expliciet in het

                  aangeven van de exacte nachtelijke bewegingen van het leger van

                  Hasdrubal.

                  Indien Hasdrubal de uitgangspositie bij de monding van de Metaurus

                  gehad heeft, dan is het aannemelijk, dat hij pas na La Lucrezia in

                  de problemen kwam. Daar komen namelijk pas de bergen reiken aan de

                  oevers van de Metaurus. Tussen Fossombrone en Calcinelli moeten de

                  Romeinen hem dan pas ingehaald hebben.

                  Volgens Tarducci gaat Hasdrubal in westelijke richting langs de

                  Metaurus van Fermignano tot aan S.Silvestre, alwaar de Romeinen

                  zijn leger inhalen.

 

                  3.2.2.      Het leger van Livius en Nero.

                  Volgens Pittaluga en Oehler is Livius via S Costanza achter

                  Hasdrubal aangegaan en komt via de Monte Rosario bij het slagveld

                  aan. De lichte troepen onder Porcius gaan via de Monte Shiantella

                  en de zuidoever van de Metaurus naar de hoogte van Muracci. Nero

                  tenslotte gaat met de ruiterij langs de kust tot de Metaurus en

                  gaat ook via de zuidoever van de Metaurus naar de hoogte van

                  Muracci.

                  Volgens K Lehmann gaan de Romeinen gewoon over de Via Flaminia

                  achter Hasdrubal aan tot aan het slagveld aan de Ponte Rotto bij

                  Calmazzo.

                  Tarducci ziet beide legers vanuit Fermignano landinwaarts optrekken

                  tot aan S.Silvestre, alwaar de slag zou hebben plaats gevonden.

 

                  3.3.        De slagveldlokaties.

                  3.3.1.      Op en rond de beek van S.Angelo.

                  Pittaluga en Oehler plaatsen de Galliërs op de westelijke flank van

                  de S.Angelo‑oever en Nero daartegenover met de ruiterij bij Muracci

                  op de oostelijke oever. De Liguriërs en de Spanjaarden bevinden

                  zich op de helling van de Monte Rosario met direct tegenover zich

                  de troepen van Livius en Porcius.

                  In de zienswijze van Kromayer‑Veith zijn de Galliërs en de troepen

                  van Nero op ongeveer dezelfde posities gedacht. Zij gaan echter uit

                  van het feit, dat de Liguriërs geen bestanddeel uitmaakten van het

                  leger van Hasdrubal en plaatsen aan de bovenloop van de S.Angelo‑

                  beek de Spanjaarden, die hun uitval op de troepen van Livius

                  uitvoeren, die zich direct ten noordwesten daarvan bevinden.

 

                  3.3.2.      Montemaggiore.

                  Volgens Marcolini, die geen expliciete uitgangsstelling aangeeft,

                  vindt de finale slag plaats op een serie heuvels bij de

                  Montemaggiore en ten zuidwesten daarvan.

 

                  3.3.3.      De Gallerabeek.

                  Bottina‑Massa noemt als uitgangspunt Sena Gallica en plaatst het

                  slagveld aan de Gallerabeek tussen de Metaurus en de Monte Rosario

                  in. Nero en Livius liggen aan de noordkant van de Gallerabeek en

                  Hasdrubal ten zuiden daarvan.

 

                  3.3.4.      Ponto Rotto

                  In de visie van K Lehmann wordt Hasdrubal op de via Flaminia

                  achterhaald door de Romeinen. Even voor Calmazzo liggen enige

                  heuvels dicht bij de Metaurus. Nero zich rond de strijdende troepen

                  van Hasdrubal en Livius ten zuiden hiervan langs de Metaurus

                  gewrongen hebben, terwijl de Galliërs vanaf een hoogte toekeken.

 

                  3.3.5.      S.Silvestre.

                  Tarducci geeft als uitgangspositie Fermignano, dat nogal diep in

                  het binnenland is gelegen en plaatst het slagveld niet eens zoveel

                  verder op stroomopwaarts bij S.Silvestre ten noorden van de

                  Metaurus.

 

                  3.3.6.      La Lucrezia.

                  Vandoncourt plaatst het slagveld direct ten westen van La Lucrezia

                  aan de via Flaminia.

 

                  3.3.7.      Enige andere mogelijkheden.

                  In dit land van 1000 heuvels en ravijnen zijn er inderdaad nog veel

                  meer mogelijkheden aan te geven. Enige van de belangrijkste worden

                  hierbij nog genoemd.

                  a.De vallei "delle Caminate".

                    De Galliërs kunnen op verschillende plaatsen op de westelijke

                    flank van dit dal gestaan hebben. Hasdrubal's positie moet dan

                    op de Monte Rosario geweest zijn.

                  b.De vallei "dell Aqua Salata".

                    De Galliërs bevinden zich op de westoever van de beek en

                    Hasdrubal bevindt zich op de heuvel van Cerasa, terwijl Livius

                    door de zuidoostelijke tak van de beek aan gemarcheerd komt.

 

                  4.          Feiten.

                  * Hasdrubal's leger is de hele nacht bezig. Dat betekent van

                  maximaal gerekend 10.00 uur in de avond tot 6.00 uur in de ochtend.

                  Dat zijn circa 8 uren, waarin gemiddeld per uur hoogstens 3 à 4 km

                  werden afgelegd. Het leger van Hasdrubal kan dus ten hoogste 24‑32

                  km hebben afgelegd en dat is niet eens hemelsbreed, want men

                  vergiste zich in de weg en volgde de kronkels van de rivier.

                  * Vanaf het vertrekpunt kan Hasdrubal's leger nooit verder zijn

                  gekomen dan Fossombrone of Pergola, afhankelijk van dat

                  vertrekpunt(variërend tussen Sena Gallica of Fanum Fortunae.

                  * De Galliërs zitten op een hoogte, die moeilijk te nemen is..Zij

                  verroeren zich tijdens de slag niet of nauwelijks.

                  * Nero voert een omtrekkende beweging uit achter het leger van

                  Livius om teneinde op de andere flank van het slagveld te komen.

                  * Het leger van Hasdrubal staat op een helling, hetgeen gunstig is

                  voor de aanval.

                  * De zijkanten van de Metaurus worden tijdens de nachtelijke tocht

                  hoger, naarmate men het binnenland in komt. Hasdrubal moet gewoon

                  langs de Metaurus landinwaarts getrokken zijn.

 

                  5.          Overwegingen.

                  De normale defensieve positie van de Romeinen in deze regio was

                  Arminium. Die positie is kennelijk opgegeven onder de druk van het

                  leger van Hasdrubal.

                  De via Flaminia en daarmee de meest directe verbinding met Rome

                  komt bij Fanum Fortunae aan de kust. De enige reden om deze zo

                  belangrijke positie op te geven, ligt wellicht in het feit, dat het

                  riviertje de Arzilla maar heel weinig voorstelt als obstakel. De

                  Metaurus des te meer. Men zou dus verwachten, dat Livius even ten

                  zuiden van de Metaurus posities zou hebben betrokken. Niettemin

                  wordt vrij algemeen aangenomen, dat zijn standplaats Sena Gallica

                  was, of juist daar ten noorden van. Wellicht was Livius verrast

                  door de opmars van Hasdrubal en moest hij wel met Sena Gallica

                  genoegen nemen.

                  Uit de overleveringen blijkt, dat het leger van Hasdrubal al vrij

                  spoedig de weg kwijt is in de heuvels. Indien het leger via de

                  kustvlakte terug naar de Metaurus zou zijn gegaan, dan was dat niet

                  gebeurd. Het is vrij aannemelijk, dat Hasdrubal getracht heeft om 

                  vanuit zijn positie bij Sena Gallica het riviertje de Cesano te

                  volgen het binnenland in, maar klaarblijkelijk daarvan weer een

                  zijrivier gevolgd heeft en langs Mondolfo in de richting van de

                  Metaurus is getrokken. Eenmaal bij de Metaurus, is hij die gevolgd

                  en kwam tegen de ochtend bij de slagveldpositie op de zuidelijke

                  oever van de Metaurus, want hij heeft die niet overschreden.

 

                  6.        CONCLUSIES.

                  Alles overwegende moet de geschiedenis van de veldslag als volgt

                  bij benadering geweest zijn; althans dit is het meest voor de hand

                  liggende scenario.

                  a.Beginpositie.

                  De snelle opmars van Hasdrubal door Gallia Cisalpina verrast de

                  Romeinen. Zij zijn daardoor niet in staat om op tijd Ariminium als

                  verdedigingpositie te betrekken. De aldaar gelegerde troepen zijn te

                  zwak en er wordt teruggetrokken op een betere positie. Fanum

                  Fortunae valt ook af vanwege de minder sterke natuurlijke

                  verdedigingspositie. De zuidoever van de Metaurus valt af, omdat

                  hier geen fort of stad als rugdekking is. Die is er wel te Sena

                  Gallica.en hier slaat Livius zijn kamp op. De vermoedelijke lokatie

                  is Oratorio del Monte. Hasdrubal legert aan de overzijde van de

                  rivier Misa/Sena.

                  Hier wacht Livius op versterking uit het zuiden en hij weigert slag

                  te leveren. Hasdrubal is in haast, want hij wil zo spoedig mogelijk

                  zijn troepen met die van Hannibal verenigen.

                  Hasdrubal's oorspronkelijke doel is het om met een overwinning door

                  te breken, maar hij brengt snel zijn troepen weer het legerkamp in,

                  als hij ziet, dat hij tegen twee consuls en 1_ leger van de

                  Romeinen zal moeten strijden.

                  Daarom vat hij het plan op om in de nacht in het binnenland te

                  verdwijnen.om met een voorsprong voorwaarts naar Hannibal te

                  vluchten.

                  b.De troepenbewegingen.

                  Het moet de bedoeling van Hasdrubal geweest zijn om de rivier de

                  Misa te volgen het binnenland in. Omdat hij zijn gidsen kwijt

                  geraakt is, slaat hij een verkeerd zijdal in.. Dit moet het dal

                  geweest zijn, dat langs Mondolfo naar Stacciola leidt en vervolgens

                  naar S.Constanzo. Voorbij Camminate komt hij bij Metaurus. Die

                  besluit hij stroomopwaarts te volgen. Hasdrubal verliest echter in

                  deze dwaaltocht te veel tijd en verandert tijdens de tocht langs de

                  steile oevers van de Metaurus van gedachten. Hij heeft nauwelijks

                  tijd gewonnen en wil snel een doorwaadbare plaats vinden om de

                  Metaurus in noordelijke richting over te steken teneinde voorlopig

                  zjn leger in veiligheid te brengen. Misschien is hij in de nacht wel

                  tot de slotsom gekomen, dat het omtrekken van de romeinse legers

                  een te hachelijke zaak wordt en dat hij snel terug moet naar Gallia

                  Cisalpina of tenminste naar Fanum Fortunae.

                  Tegen de ochtend heeft hij nog geen goede doorwaadbare plaats

                  gevonden en krijgt bericht, dat de Romeinen in de achtervolging

                  zijn. Hij is dan ter hoogte van de S.Angelo beek en zoekt snel nog

                  een verdedigbare positie. Hij gaat met zijn beste troepen naar de

                  Monte Rosario. De Galliërs liggen achter, maar weten zich in

                  veiligheid te brengen op een hoogte ten zuidwesten van de S.Angelo

                  beek. De Romeinen hebben in meerderheid de route langs de

                  kustvlakte genomen en maken zo hun achterstand in tijd en plaats

                  sneller goed dan verwacht.

                  c.De slagveldpositie.

                  Hasdrubal betrekt positie op de flanken van de Monte Rosario met

                  zijn Iberische troepen. Deze kunnen door het aflopende terrein een

                  sterke aanval doen op de aanmarcherende troepen van Livius, die

                  tegen gehouden kunnen worden. De Galliërs op hun heuvel houden de

                  troepen van Nero vast. In dit stadium was het voor Hasdrubal nog

                  mogelijk om de overwinning te behalen.

                  Dan besluit Nero om achter de troepen van Livius om naar de

                  rechterflank van Hasdrubal te gaan. Dat wordt de beslissing. De

                  Iberiërs worden dan van twee zijden aangevallen, waarop zij moeten

                  wijken. De slag verwordt dan tot een vlucht. De Galliërs verlaten

                  hun heuvel en trachten in het binnenland te ontkomen.

                  Hasdrubal komt om in de strijd.

                  Voor de Metaurus kunnen de volgende bronnen geraadpleegd worden:

                 ‑Hannibal's legacy Vol.I A J Toynbee London/Oxford  Univ.Press 1965

                  ‑Hannibal's War(A military history of 2d punic war)F Lazenby  Warminster/England

                  ‑Table of legions and commanders in de 2d Ancient punic war.History Vol VIII Cambridge

                  ‑Livius/Rome's krachtmeting met Carthago E de Laet. 1980 Antwerpen

                  ‑Antike Schlachtfelder in Italien und Afrika.J Kromayer/G Veith Berlin 1912

                  ‑Oorlogvoering in de klassieke wereld.J Warry Helmond‑Antwerpen 1980

                  ‑The Punic Wars B Caven Univ.of London 1980

                  Museo civico del palazzo Malatestiano di Fano F Battistelli/L De(Sezione Archeologica)Sanctis.1984

                  ‑Hasdrubal Barcas H van Diessen (Een vergeten man in de schaduw van zijn beroemde broer) NCPHP.58

                  Apeldoorn1983.


ncfps

See for more information and in the English language:

 


 



 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten