woensdag 9 juli 2014

H1

H                     = de, het, die
 
H’                    = hij, zij
 
Haardracht:      de vrouwen dragen veelal vlechten of pijpenkrullen.
afbeeldingen


Habibas:            Naam van een archipel voor de kust van West‑Algerije ter hoogte van de "Andalouses". Het zijn zeer kleine eilanden, maar zij werden door de Feniciërs en Carthagers bezocht. Men heeft er Campaanse keramiek gevonden. Of er een volwaardige Fenicische neder‑
zetting was, kon (nog) niet vastgesteld worden. Zie voorts:G Vuillemot, Réconnaissances aux échelles puniques d'oranie (22‑1‑62 Alger).
kaart


Sidi (ahmed el) Hacheni: vindplaats in Noord-Afrika. Note sur une stèle punique du Sidi-Ahmed-El-Hacheni, BTCH 1914, R.Dussaud.
 
Hadad:              Kanaänietische onweersgod.
 
Hadad'idri:         Aanvoerder van een geallieerd leger, dat in 853 probeerde de Assyriërs tegen te houden bij Qarqar. Hierbij was ook een contingent uit Arvad present.
kaart


Hadaš; nieuw
 
Hadrumetum:         Een plaats op de oostkust van Tunesië. Voor de oorsprong van de naam zijn vele verklaringen opgesteld.  Hier volgen er enige: Volgens Bochart: MEA in het Hebreeuws betekent 100. Het meervoud van MEA is MOAT. Hadrumetum zou dan betekenen:Stad van de 100 maten. Volgens Plinius de Oudere slaat de naam op de vruchtbaarheid van de streek er om heen.
Volgens Pellegrin betekent Hadrumetum=Hadaroumet. Daarin zit het woord DAROM verborgen en dat betekent weer "zuid". In zijn geheel betekent de naam dan "degene van het zuiden". Volgens Tixeront ligt er een paralel met Adramyttium, dat in Klein‑Azië ligt in de streek Troade. De meeste meningen spitsen zich echter toe op de verklaring, die o.a. door Scaliger wordt aangehangen en
die steunt op de teksten van Philo van Byblos. Er zou een paralel liggen met Hadremout=vestibule van Pluto. Hadremout ligt in het uiterste zuiden van Arabië en dat komt weer overeen met de verklaring van Pellegrin. Het lijkt niet onmogelijk, dat Feniciërs uit Tyrus, voorheen afkomstig uit het zuiden van Arabië kwamen en Hadrumetum op de noordkust van Afrika gesticht hebben. Het is in ieder geval een Tyrische stichting zeggen Solinus (XXVII 9) en Sallustius (Jug.19). Ook de naam
van de stichter is ons uit de overlevering bekend. Volgens Stephanus van Byzantium moet dat 'Adrumès geweest zijn. Hadremetum wordt voor het eerst genoemd in Pseudo‑Skylax omstreeks het jaar 347. Daar wordt in vermeldt, dat Hadrumetum ligt tussen Thapsus en Neapolis. In die
streek leven volgens deze bron "blonde mooie mensen". Sallustius beweert, dat Hadrumetum eerder gesticht werd dan Carthago. Solinus zegt hierover:  Hadrumeto atque Carthagini auctor est a Tyro popules.
Volgens de traditionele stichtingsdatum van Carthago zou Hadrumetum dus minstens halverwege de 9e eeuw gesticht moeten zijn. Volgens de archeologische stichtingsdatum van Carthago (ca.750) valt dan de stichtingsdatum van Hadrumetum in het begin van de 8e eeuw. Waarschijnlijk is het dan ook zo, dat Hadremetum in de 9e eeuw verkend werd als natuurlijke haven, in de 8e eeuw ingebruik werd genomen als simpel relaisstation en pas in de 7e eeuw als volwaardige
nederzetting gekenschetst kan worden. Pas in de 6e en 5e eeuw wordt het gebied rond
Hadrumetum omgevormd tot een belangrijk landbouwgebied. Dan ook gaat het (overigens zonder
enige strijd) behoren tot het Carthaagse gemenebest. In 310 wordt Hadrumetum betrokken in de strijd tussen Carthago en Agathocles, welke laatste de stad weet in te nemen. In het begin van de 2e Romeins/Carthaagse oorlog vindt er vlak bij Hadrumetum een Romeinse landing plaats, die echter met grote verliezen voor de Romeinse invallers wordt afgeslagen. In 203 keert
Hannibal via Hadrumetum terug vanuit Italië. De plaats wordt de basis voor Hannibal voor zijn acties tegen Scipio. Na de nederlaag bij Zama keert Hannibal weer terug naar Hadrumetum. In 195 verlaat Hannibal zijn landgoed in de buurt van Hadrumetum definitief om in het Hellenistische oosten de strijd tegen de Romeinen voort te zetten. In 149 verlaat Hadrumetum tenslotte het Carthaagse kamp en wordt een bondgenoot van de Romeinen. De eeuw tussen 150‑50 is er een van grote welvaart. De bevolking neemt aanzienlijk toe. Waarschijnlijk hebben zich veel vluchtelingen vanuit Carthago in de stad gevestigd. De Punische aard van de stad blijft nog
afbeeldingen

lang bestaan. In 22 na Chr blijkt de stad nog eigen suffeten te hebben. Zo wordt een Banno, zoon van Himilkis genoemd. Zie voorts:Paulys Real Enc:2178 L Foucher, "Hadrumetum", 1964,Univ.de Tunis.  Punisch Hadremetum ligt tussen de tofet en de haven in het "parc Nicolle" en op de heuvel Bou Jaffar. De perimeter bedraagt tot 6410 meter en de omringende muur is 3.60 meter dik geweest. De haven kende een bassin  van 160 bij 175 meter. Zie o.a.:bij Strabo XVII 3,16.

 
                             ______________________________________________
 
                              +++++++++                     Middellandse zee
                              necropool
 
 
 
 
                                                  Punische
                                   resten         haven
                                   van huizen
                                   en straten
 
                                        tofet               vermoedelijke
                                                  moderne   kustlijn
                                                  haven     in de oudheid
                                        KASBA
                              ++++++
                              ++++++
                              Punische
                              necropool
 
 
 
 
 
 
 
                                                            +++++
                                                            necropool
 
 
                              0_________500
 
                                                            ^ noord
                              ______________________________________________
 
Zie: Tombeaux Puniques découverts à Sousse, De la Blanchère, BTCH 1889.
Cagnat (R.), Mémoire sur les antiquités de Sousse et de Bir-Oum-Ali (Tunisie), p. 149-… Inscriptions, etc.
LA BLANCHERE (R. DE), La mosaïque de Neptune à Sousse, p. 163.REINACH (Salomon), Fouilles à Sousse, p. 312.
BERGER. (Philippe),  Rapport sur sept inscrip­tions puniques peintes sur des vases provenant de la nécropole de Sousse, p. 102.LACOMBLE et HANNEZO, Fouilles exécutées dans la nécropole romaine d'Hadrumète, fig. et 3 pl., p. 110.
SALADIN, Note sur deux fragments de mosaïque découverts dans la nécropole de Sousse; rapport sur une communication de M. le lieutenant Hannezo, p. 317.GOETSCHY, Fouilles exécutées devant la porte ouest de la casbah de Sousse, pl., p. 525. Saladin (H.), Note sur un chapiteau trouvé près de Sousse, BCTH, 1901, p. 438-443, fig. et pl.Gauckler,Découvertes céramiques à Sousse, BCTH, 1902, p. CCIV-CCX; statuettes, lampes et poteries romaines.Goetschy(général), Note sur les fouilles exécutées à Sousse et à Sidi-el-Hani (Tunisie), BCTH, 1902, p. 412-416, fig.
En nog veel meer!!! Onder BCTH.
 
Haha:               Dit is de Cap Rhir in Mauretanië, waar Punische keramiek uit de 3e eeuw is gevonden.
kaart


Haïdra
Ammaedara (Haïdra)
Pachtère (de), Les camps de la IIIe légion en Afrique au Ier siècle de l'Empire, CRAI, 1916,  p.273-284.  Lieux et peuples cités : Tacapes, Tubursicu Numidarum, Tebessa, Ammaedara, Tacfarinas, Musulames, Lepti (Minus). Ben Abdallah (Zeineb), La mention des servitudes prédiales dans une dédicace à Ammaedara personnifiée, faite par un légat d'Afrique proconsulaire, CRAI, 1988, p. 236-251. Duval (Noël), Baratte (François), Golvin (Jean-Claude), Les églises d'Haïdra VI: la basilique des martyrs de la persécution de Dioclétien. Bilan de la campagne 1983, CRAI, 1989, p. 129-173. Ben Abdallah (Zeineb), Nouveaux aspects de la vie religieuse à Ammaedara, camp de la 3e Légion Auguste, puis colonie de Vespasien en Afrique romaine, CRAI, 1992, p. 11-32.Baratte (François), Recherches franco-tunisiennes sur la citadelle byzantine d'Ammaedara (Haïdra), CRAI, 1996, p.125-154. Bejaoui (F.), Îles et villes de la Méditerranée sur une mosaïque d'Ammaedara (Haïdra en Tunisie), CRAI, 1997, p. 825-858.
Duval (Noël), L'église de Melleus à Haïdra (Tunisie): la campagne franco-tunisienne de 1967, CRAI, 1968, p. 221-244.
Duval (Noël), Les église d'Haïdra (églises dite de Melleus et de Candidus et "chapelle vandale". Recherches franco-tunisiennes de 1969, CRAI, 1969, p. 409-436. Duval (Noël), Les églises d'Haïdra .III :l'église de la citadelle et l'architecture byzantine en Afrique, CRAI, 1971, p. 136-166.
Duval (Noël) et Golvin (Jean-Claude), Haïdra à l'époque chrétienne, IV : Le Monument à auges et les bâtiments similaires, CRAI, 1972, p. 133-172.
Duval (Noël), Baratte (F.) et Golvin (J.-C.), Recherches archéologiques à Haïdra, CRAI, 1973, p. 156-178. GSELL (S.). - Édifices chrétiens de Thélepte et d'Ammaedara, R.Tun., 34, 1932, fig., p. 5-56, 277-300. Héron de Vilefosse,  Antiquités et inscriptions grecques, romaines, trouvées à Carthage, Haidra et Gabès, BCTH, 1918, p. CCXV-CCXXIV, CCXXVI-CCXXXIII, CCLLXI-CCLXIII.
Héron de Villefosse (A.), Sculpture découverte près de Haïdra, BCTH, 1909, p. CCVI.
Héron de Villefosse,  Antiquités et inscriptions grecques, romaines, trouvées à Carthage, Haidra et Gabès, BCTH, 1918, p. CCXV-CCXXIV, CCXXVI-CCXXXIII, CCLLXI-CCLXIII.
Merlin, - Vase et figurine de terre cuite provenant de Cyrénaïque et. objets trouvés dans des fouilles de la région de Kasserine, d'Haïdra, de Sidi-el-Hani et de Sousse, entrés au Louvre, BCTH, 1927, p. 251-253.
Merlin, Recherches archéologiques et inscriptions romaines du Kef, de Medeina, et d'Haïdra, BCTH, 1907, p.CCLII-CCCLXII.
Piganiol (A) et Laurent-Vibert (R.), Recherches archéologiques à Arnmaedara (Haïdra) [Tunisie] MEFR, 32, 1912, pl., fig.,  p. 69-229.
Poinssot (L.),  Inscriptions romaines de Pheradi Maius (Sidi-Khalifa) et d'Haïdra, BCTH, 1927, p. 53-62.
Poinssot (L.),  Les inscriptions chrétiennes d'Haïdra, BCTH, 1934-1935, p. 69-81.
Poinssot (L.), Découverte d'inscriptions et de stèles romaines à Haïdra, BCTH, 1927, p. 199-208.
Poinssot,  Note sur un milliaire de la région d'Haïdra et sur les tuiles estampillées trouvées à Sousse, BCTH, 1934-1935, p. 218-220.
GSELL (S.). - Édifices chrétiens de Thélepte et d'Ammaedara, R.Tun., 34, 1932, fig., p. 5-56, 277-300.
Duval (N.), Les inscriptions de la 'chapelle vandale' d'Haïdra d'après l'abbé Delapard, BSNAF, 1969, p. 99-120, pl. XI-XII.
Mallon (J.), Le texte gravé sur le linteau de Baric à Haïdra, BSNAF, 1969, p. 120-125.
Duval (N.), Trois notes sur les antiquités d'Haïdra, BSNAF, 1963, p. 44
Duval (N.), La basilique I d'Haïdra (église de Melleus) état des recherches à la fin de 1966, BSNAF, 1967, p. 121.
Beschaouch (A.), A Ammaedara (Haïdra), une sodalité africaine inédite : les Romuli, BSNAF, 1997, p. 165-170.
Benzina Ben Abdalllah (Zeïneb). A propos d'une abside construite dans les thermes d'hiver d'Ammaedara, en 336, BCTH, n.s., 22, 1987-9, p. 135
Benzina Ben Abdallah (Zeineb) - A propos d’un pont de la voie de Carthage à Théveste construit sous Hadrien à l’entrée d’Ammaedara, BCTH, n.s., 24, 1993-95, p. 95.
Ben Abdallah Zeïneb L'expression d'un idéal de vie sur une épitaphe métrique nouvellement découverte à Ammaedara (Haïdra, Tunisie), (texte lu par A. Beschaouch), BCTH, n.s., 25, 1996-8, p. 127.
ZEÏNEB BENZINA BEN ABDALLAH, Sur une épitaphe d'Ammaedara relative à un soldat de la IIIe légion Auguste, originaire de Naples, Africa romana, 7, 1989, p. 763-795.
FÉTHI BÉJAOUI, Une nouvelle découverte d'époque byzantine à Haïdra, Africa romana, 11, 1994, p.1385-1390.
MICHAEL MACKENSEN, Les castra hiberna de la legio III Augusta à Ammaedara / Haïdra, Africa romana, 13, 1998, p. 1739-1760.
FÉTHI BÉJAOUI, Deux villes italiennes sur une mosaique de Haïdra, Africa romana, 14, 2000, p.503-508.
Ben Abdallah (Zeineb), D'Ammaedara à Carthage. Du nouveau sur les Flavii et sur les Ranii, familles clarissimes d'origine africaine, MEFR, 1993, 105, 2, p. 961-973.
Zeineb Benzina-Ben Abdallah et Leïla Ladjimi-Sebaï. – Egregiae memoriae filia ? A propos d’une inscription inédite d’Haïdra (Tunisie) , Ant. Af., 11, 1977, p. 161-166.
Zeineb Benzina Ben Abdallah. – Du côté d’Ammaedara (Haïdra). Musulamii et Musunii Regiani, Ant. Af., 28, 1992, p. 139-146.
Ben Abdallah (Zeineb) et  Le Bohec (Yann),Nouvelles inscriptions d'Haïdra concernant l'armée romaine, MEFRA, 109, 1997, 1p. 41-82.
1982 Duval (Y.), Loca sanctorum, t. I, 1982, p. 105 , n° 51 - 56 : inscriptions martyrologiques 
Quartier général de la Legion III Augusta de 6 à 75 après J.-C. Le camp doit être situé sous la forteresse, Le Bohec, IIIe légion Auguste, 1989, p. 357. 
 
Halan Sultan Tekké     BK2: vindplaats op Cyprus.
 
Halykos:            Deze rivier op Sicilië vormt meestal de grens tussen
                              het Griekse en Carthaagse deel van het schiereiland.
 
H'M:                Punische naam (2x geregistreerd).
 
Hamilcar:           de naam betekent:Abd Melqart=dienaar van Melqart= dienaar van de koning van de stad. Dit is volgens de Dictionary van Lipinski. Toch is er wellicht enige verwarring. Bij Krahmalkov (blz 356): hier wordt Hamilcar niet met Abdmelqart geïdentificeerd. Op blz 159 en 187 worden hmlqrt en h.mlqrt niet genoemd.
 
H’M:
 
Hamilcar           
1.Hamilcar, zoon van Mago. Hij leefde aan het begin van de 5e eeuw. Hij wordt genoemd bij Just.XIX 1. Volgens Herod.VII 165 is hij echter de zoon van Hanno, die weer de zoon van Mago was. Zie ook bij Diod.IX 20,2 e.v. Deze Hamilcar was koning en veldheer in het jaar 480,
waarbij hij het leger en de vloot van Carthago naar Himera leidde, maar in de belegering van de stad faalde en de dood vond. Zowel het leger als de vloot van Carthago gingen goeddeels verloren.
Herodotus meldt (VII 166), dat in Carthago en alle  andere Punische kolonies offerdiensten voor hem worden gehouden, maar mogelijk houdt men gewoon een offerdienst voor Melqart.
2.Veldheer van de Carthagers in de oorlog tegen Timoleon. Zie:Diod XVI 77‑81,Plut.Timaeus 25‑29.  In 343 stond Hamilcar met Hasdrubal aan het hoofd van een aanzienlijk Carthaags leger, waarin zelfs de z.g. Heilige Bond was opgenomen. Deze Heilige Bond bestond uit Carthaagse edelen. Het was ongebruikelijk, dat de Carthagers in grote getale deelnamen op het slagveld
aan de oorlogvoering. Het leger van Hamilcar en Hasdrubal wordt bij het oversteken van de Crimisos verrast door het leger van Timoleon en zwaar verslagen. Hierna worden Hamilcar en Hasdrubal teruggeroepen en vervangen door Gescon, die uiteindelijk een vrede weet te bewerkstelligen.
3.Diplomaat of spion voor Carthago tijdens de veldtocht van Alexander de Grote door Voor‑Azië. Hij leefde dus omstreeks 330. Hij wordt genoemd bij: Justinus 21 b, 1‑7 en Orosius IV 6,21. Deze Hamilcar geeft zich uit voor een banneling of is dat ook werkelijk. Door Parmenio wordt hij in het hoofdkwartier van Alexander de Grote geïntroduceerd. Hij zou over de plannen en acties van Alexander naar Carthago bericht hebben. Na de dood van Alexander keert hij naar Carthago terug, waar hij echter van landverraad beschuldigd wordt en ook wordt terechtgesteld. Er zitten tegenstrijdigheden in zijn geschiedenis. Was hij een spion voor Carthago, of een dubbelspion, of
gewoon een banneling, die zijn heil in het kamp van Alexander zocht?
4.Veldheer van Carthago op Sicilië tussen 320 en 312. Hij is voornamelijk een diplomaat en bemiddelt in de chaotische verwikkelingen van Syracuse. Over hem wordt bericht door Justinus XXII, 2, 6 en Diodorus XIX 70‑72. Deze Hamilcar schijnt zelfs in Syracuse zelf zijn troepen gehad te hebben. Hamilcar laat Agathocles de stadsbevelhebber worden op voorwaarde, dat hij de democratie in de stad geen geweld zal aandoen. Zodra Agathocles echter de handen vrij heeft, trekt hij zich niets aan gedane beloften en wordt een gevreesd tiran van Oost‑Sicilië. Hamilcar heeft zich misrekend en wordt teruggeroepen, ofwel is hij al in Carthago terug als hij door de Carthaagse bondgenoten wordt aangeklaagd. Zijn plotselinge dood (zelfmoord?) verhindert een terechtstelling waarschijnlijk.
5.Veldheer van Carthago in de strijd tegen Agathocles. Hij wordt genoemd Diodorus XIX 109,5‑XX 16,1‑XXII, 3,9 e.v.  In het voorjaar van 311 landt hij op Sicilië en verzamelt alle beschikbare troepen. Hij trekt op naar Ecnomus aan de zuidkust van Sicilië. In de daarop volgende veldslag overwint hij Agathocles met vers aangekomen troepen uit Carthago en vooral met behulp van de Balearische slingeraars. De veldslag vond plaats in juni 310. Agathocles wordt tot Gela door Hamilcar achtervolgd. Daarna trekt Hamilcar naar het binnenland en onderwerpt een groot deel van Sicilië. Als Agathocles in Afrika landt, stuurt Hamilcar 5000 man aan troepen terug en neemt de belegering van Syracuse ter hand. Hamilcar wordt bij schermutselingen rond het fort Euryalus gevangen genomen en gruwelijk door de Syracusers gemarteld en gedood.
6.Veldheer van Carthago in de eerste Punisch‑Romeinse oorlog. Hij wordt genoemd door Zonaras VIII 10‑11, Polybius I24,4 27 29 30 en 32, Diodorus XXIII, Orosius IV, 8 9, Eutropius II, 21, Valerius Maximus IV en Polyaenus VIII. Deze Hamilcar begint zijn militaire loopbaan voor zover bekend na de nederlaag van Hanno bij Akragas, die hij opvolgt. Hij ontdoet zich van een onbetrouwbare
Gallische huurlingentroep door hen gewild in een Romeinse hinderlaag te sturen. Vervolgens plundert hij met een Carthaagse vloot de Zuid‑Italiaanse kust. In 260 is hij opperbevelhebber van het leger op Sicilië, terwijl een Hannibal de vloot commandeert. Hamilcar belegert Segesta en weet de Romeinen onder C.Caecilius een nederlaag toe te brengen. Na Hannibal's nederlaag bij Mylae trekt hij zich terug op Panormus. Van hieruit doet hij een gelukte overval op een contingent Romeinse bondgenoten bij Paropos (Collessano). Daarbij verliezen deze 4000‑6000 man.
7.Barcas of Baraq, hetgeen de bliksem betekent. Veldheer van de Carthagers tijdens het laatste deel van de eerste Romeins‑Punische oorlog, tijdens de huurlingenopstand én tijdens de verovering van een goed deel van Keltiberië. In het jaar 247/246 neemt hij het commando op Sicilië over van Carthalo. voor wat betreft de zeestrijdkrachten althans. Daarmee verwoest hij de kusten van Lucanië en Bruttië. Jarenlang voert hij verder een onafgebroken guerillaoorlog vanaf eerst Heircte en later vanaf Eryx. In 241 krijgt hij Carthago de opdracht om vrede te sluiten, hetgeen hem lukt. In de daarop uitbrekende huurlingenopstand wordt na enige  tijd Hamilcar weer opgeroepen om ditmaal samen met Hanno het bevel over de troepen op zich te nemen. Hij verslaat diverse huurlingenlegers, maar de oorlog duurt nog tot in 238. Het verhaal wil, dat hij met vele andere Carthaagse edelen én met zijn zonen zweert om nooit een vriend van Rome te worden. Daarna vertrekt hij met zijn troepen via Numidië en Mauretanië naar zuidelijk Keltiberië, dat hij na vele jaren van harde strijd weet te veroveren. Daarmee stelt hij de militaire en economische positie van de stad Carthago weer een stukje sterker. In de winter van 229/228 valt hij in de nabijheid van Castulo of Elche in een hinderlaag, waaruit zijn zonen maar tenauwernood kunnen ontsnappen.
afbeeldingen


Aangezien Hamilcar in 247 minstens de volwassen leeftijd bereikt moet hebben (ca 25 jaar), moet hij ook tenminste 45 jaar oud geworden zijn. Zijn zonen waren Hannibal, Hasdrubal en Mago. Een van zijn dochters wordt aan een Hasdrubal uitgehuwlijkt, die hem als schoonzoon meevolgt naar Keltiberië en hem daar ook opvolgt onder de naam Hasdrubal de Luisterrijke. Hamilcar Barcas heeft vele verdiensten voor Carthago gehad. Een van de grootste is wel, dat hij de gevaarlijke huurlingenopstand wist in te dammen. Hierbij  won hij een aantal veldslagen in Afrika. Op blz 411
(totaal) of blz 47 van Deel Twee B van deze geschiedenis wordt gerept over de slag "in het ravijn". Het ravijn met daaromheen het overigens prachtige kartelgebergte van waarschijnlijk Djidjelli op enige tientallen kilometers van Nabeul in Tunesië zou heel goed de plaats geweest kunnen zijn, waar de veldslag zich kan hebben afgespeeld. Bronnen: Polybius II en III, Diodorus XXV, Appianus 1,4,5, Orosius IV 13 e.v, Zonaras VIII 19.
 
                              Foto 336.
                              Uit het archief van de schrijver.
                              Kartelgebergte van Djidjelli. De foto werd in noorde‑
                              lijke richting genomen. De herkomst en betekenis van
                              de zuil is onbekend.
 
                              Foto 332.
                              Uit het archief van de schrijver.
                              Kartelgebergte van Djidjelli op de achtergrond. De
                              foto werd naar het noordwesten toe genomen.
 
                              Foto 333.
                              Uit het archief van de schrijver.
                              Kartelgebergte van Djidjelli. De foto werd naar het
                              zuidwesten toe genomen.
 
 
8.Zoon van Gescon (of Gersacon), die in 218 door Tiberius Sempronius Longus gevangen genomen wordt met zijn garnizoen te Melita (Malta), dat 2000 man telde (Zie:Livius XXI, 51, 1‑2).
9.Vlootvoogd van Hasdrubal (broer van Hannibal) vanaf in ieder geval 218. In het voorjaar lijdt hij een nederlaag bij de Ebromonding, maar in 212 is hij weer terug. In de tussentijd schijnt hij ook op en rond Sicilië actief geweest te zijn. In 208 gaat hij met Hasdrubal mee naar Italië. Kennelijk blijft hij na de ramp bij Metaurus in de Povlakte achter. Hij is wellicht de laatste Carthager, die blijft door strijden in deze oorlog. In 200 weet hij een opstand te organiseren en verovert Placentia en Cremona. Nabij Cremona valt hij in de slag tegen de praetor L.Furius. Rome had inmiddels om
terugroeping van deze Hamilcar gevraagd, maar Carthago was daartoe natuurlijk niet in staat. Carthago confisceerde daarop zijn bezittingen.  Bronnen: Polybius III 95,2, VIII 1,8 Livius XXX 10‑11+19, XXXII 30 en XXXIII 23. Livius vermeldt ook, dat in 197 een Hamilcar gevangen
genomen wordt bij een zege van C Cornelius Cethegus over de Insubriërs en de Cenomanen. Ofwel Livius volgt  twee bronnen, ofwel er zijn twee verschillende Hamilcar's actief in de Povlakte.
schema


10.bijgenaamd de Samniet. In 151/150 was hij de aanvoerder van de democratische partij in Carthago. Hij deelde die positie samen met Carthalo. Met vereende krachten verdrijven zij de pro‑Numidische partij. Massinissa stuurt zijn zonen Gulussa en Micipsa naar Carthago om te onderhandelen, maar die worden na zoveel Numidische grensschendingen niet meer toege‑
laten. Op hun terugtocht overvalt Hamilcar bovendien Gulussa, die maar ternauwernood kan ontkomen. Bronnen:  Appianus VIII 68‑70, Polybius XXVII 10,2.
11.Een voorname Carthager, die in 149 naar de Romeinen gezonden wordt om de onderwerping van Carthago aan te bieden. Hij keerde echter met het gezantschap terug zonder noemenswaard antwoord.
12.Veldheer van de Carthagers in de derde Romeins‑Punische oorlog. Hij had voorts de naam Phamaesas en  leidde vooral de Carthaagse ruiterij. Bij Appianus wordt hij Himilco genoemd. Scipio Aemilianus weet hem over te halen om naar de Romeinen over te lopen. Bron:Polybius XXVI 3,8 e.v.
13.Schrijver van een boek over de landbouw. Bron:Col.12.4.2.
14.Voorname burger van Leptis in 107.Bron:Sallustius in Jugurtha 77,1.
ncfps

Geen opmerkingen:

Een reactie posten