H =
de, het, die
H’ =
hij, zij
Haardracht: de
vrouwen dragen veelal vlechten of pijpenkrullen.
|
afbeeldingen
|
Habibas:
Naam van een archipel voor de kust van West‑Algerije ter hoogte van de
"Andalouses". Het zijn zeer kleine eilanden, maar zij werden door de
Feniciërs en Carthagers bezocht. Men heeft er Campaanse keramiek gevonden. Of
er een volwaardige Fenicische neder‑
zetting
was, kon (nog) niet vastgesteld worden. Zie voorts:G Vuillemot, Réconnaissances
aux échelles puniques d'oranie (22‑1‑62 Alger).
|
kaart
|
Sidi (ahmed el) Hacheni: vindplaats in Noord-Afrika. Note sur
une stèle punique du Sidi-Ahmed-El-Hacheni, BTCH 1914, R.Dussaud.
Hadad: Kanaänietische onweersgod.
Hadad'idri:
Aanvoerder van een geallieerd leger, dat in 853 probeerde de Assyriërs
tegen te houden bij Qarqar. Hierbij was ook een contingent uit Arvad present.
|
kaart
|
Hadaš; nieuw
Hadrumetum:
Een plaats op de oostkust van
Tunesië. Voor de oorsprong van de naam zijn vele verklaringen opgesteld. Hier volgen er enige: Volgens Bochart: MEA in
het Hebreeuws betekent 100. Het meervoud van MEA is MOAT. Hadrumetum zou dan
betekenen:Stad van de 100 maten. Volgens Plinius de Oudere slaat de naam op de
vruchtbaarheid van de streek er om heen.
Volgens
Pellegrin betekent Hadrumetum=Hadaroumet. Daarin zit het woord DAROM verborgen
en dat betekent weer "zuid". In zijn geheel betekent de naam dan
"degene van het zuiden". Volgens Tixeront ligt er een paralel met
Adramyttium, dat in Klein‑Azië ligt in de streek Troade. De meeste meningen
spitsen zich echter toe op de verklaring, die o.a. door Scaliger wordt
aangehangen en
die
steunt op de teksten van Philo van Byblos. Er zou een paralel liggen met
Hadremout=vestibule van Pluto. Hadremout ligt in het uiterste zuiden van Arabië
en dat komt weer overeen met de verklaring van Pellegrin. Het lijkt niet
onmogelijk, dat Feniciërs uit Tyrus, voorheen afkomstig uit het zuiden van
Arabië kwamen en Hadrumetum op de noordkust van Afrika gesticht hebben. Het is
in ieder geval een Tyrische stichting zeggen Solinus (XXVII 9) en Sallustius
(Jug.19). Ook de naam
van
de stichter is ons uit de overlevering bekend. Volgens Stephanus van Byzantium
moet dat 'Adrumès geweest zijn. Hadremetum wordt voor het eerst genoemd in
Pseudo‑Skylax omstreeks het jaar 347. Daar wordt in vermeldt, dat Hadrumetum
ligt tussen Thapsus en Neapolis. In die
streek
leven volgens deze bron "blonde mooie mensen". Sallustius beweert,
dat Hadrumetum eerder gesticht werd dan Carthago. Solinus zegt hierover: Hadrumeto
atque Carthagini auctor est a Tyro popules.
Volgens
de traditionele stichtingsdatum van Carthago zou Hadrumetum dus minstens
halverwege de 9e eeuw gesticht moeten zijn. Volgens de archeologische
stichtingsdatum van Carthago (ca.750) valt dan de stichtingsdatum van
Hadrumetum in het begin van de 8e eeuw. Waarschijnlijk is het dan ook zo, dat
Hadremetum in de 9e eeuw verkend werd als natuurlijke haven, in de 8e eeuw
ingebruik werd genomen als simpel relaisstation en pas in de 7e eeuw als
volwaardige
nederzetting
gekenschetst kan worden. Pas in de 6e en 5e eeuw wordt het gebied rond
Hadrumetum
omgevormd tot een belangrijk landbouwgebied. Dan ook gaat het (overigens zonder
enige
strijd) behoren tot het Carthaagse gemenebest. In 310 wordt Hadrumetum
betrokken in de strijd tussen Carthago en Agathocles, welke laatste de stad
weet in te nemen. In het begin van de 2e Romeins/Carthaagse oorlog vindt er
vlak bij Hadrumetum een Romeinse landing plaats, die echter met grote verliezen
voor de Romeinse invallers wordt afgeslagen. In 203 keert
Hannibal
via Hadrumetum terug vanuit Italië. De plaats wordt de basis voor Hannibal voor
zijn acties tegen Scipio. Na de nederlaag bij Zama keert Hannibal weer terug
naar Hadrumetum. In 195 verlaat Hannibal zijn landgoed in de buurt van
Hadrumetum definitief om in het Hellenistische oosten de strijd tegen de
Romeinen voort te zetten. In 149 verlaat Hadrumetum tenslotte het Carthaagse
kamp en wordt een bondgenoot van de Romeinen. De eeuw tussen 150‑50 is er een
van grote welvaart. De bevolking neemt aanzienlijk toe. Waarschijnlijk hebben
zich veel vluchtelingen vanuit Carthago in de stad gevestigd. De Punische aard
van de stad blijft nog
|
afbeeldingen
|
lang bestaan. In 22 na Chr blijkt de stad nog eigen suffeten te hebben. Zo wordt een Banno, zoon van Himilkis genoemd. Zie voorts:Paulys Real Enc:2178 L Foucher, "Hadrumetum", 1964,Univ.de Tunis. Punisch Hadremetum ligt tussen de tofet en de haven in het "parc Nicolle" en op de heuvel Bou Jaffar. De perimeter bedraagt tot 6410 meter en de omringende muur is 3.60 meter dik geweest. De haven kende een bassin van 160 bij 175 meter. Zie o.a.:bij Strabo XVII 3,16.
______________________________________________
+++++++++ Middellandse zee
necropool
Punische
resten haven
van huizen
en straten
tofet vermoedelijke
moderne kustlijn
haven in de oudheid
KASBA
++++++
++++++
Punische
necropool
+++++
necropool
0_________500
^ noord
______________________________________________
Zie:
Tombeaux Puniques découverts à Sousse ,
De la Blanchère, BTCH 1889.
Cagnat (R.), Mémoire sur les
antiquités de Sousse
et de Bir-Oum-Ali (Tunisie), p. 149-… Inscriptions, etc.
LA
BLANCHERE (R. DE), La mosaïque de Neptune à Sousse ,
p. 163.REINACH (Salomon), Fouilles à Sousse ,
p. 312.
BERGER.
(Philippe), Rapport sur sept inscriptions
puniques peintes sur des vases provenant de la nécropole de Sousse, p.
102.LACOMBLE et HANNEZO, Fouilles exécutées dans la nécropole
romaine d'Hadrumète, fig. et
3 pl.,
p. 110.
SALADIN, Note sur deux fragments de mosaïque découverts dans la
nécropole de Sousse; rapport sur une communication de M. le lieutenant Hannezo,
p. 317.GOETSCHY, Fouilles exécutées devant la
porte ouest de la casbah de Sousse, pl., p. 525. Saladin (H.), Note sur
un chapiteau trouvé près de Sousse, BCTH, 1901, p. 438-443, fig. et
pl.Gauckler,Découvertes céramiques à Sousse, BCTH, 1902, p. CCIV-CCX;
statuettes, lampes et poteries romaines.Goetschy(général), Note sur les
fouilles exécutées à Sousse et à Sidi-el-Hani (Tunisie), BCTH, 1902, p.
412-416, fig.
En nog veel meer!!! Onder BCTH.
Haha: Dit is de Cap Rhir in
Mauretanië, waar Punische keramiek uit de 3e eeuw is gevonden.
|
kaart
|
Haïdra
Ammaedara (Haïdra)
Pachtère
(de), Les camps de la IIIe légion en Afrique au Ier siècle de l'Empire, CRAI,
1916, p.273-284. Lieux et peuples cités : Tacapes, Tubursicu
Numidarum, Tebessa, Ammaedara, Tacfarinas, Musulames, Lepti (Minus). Ben
Abdallah (Zeineb), La mention des servitudes prédiales dans une dédicace à
Ammaedara personnifiée, faite par un légat d'Afrique proconsulaire, CRAI,
1988, p. 236-251. Duval (Noël), Baratte (François), Golvin (Jean-Claude), Les
églises d'Haïdra VI: la basilique des martyrs de la persécution de Dioclétien.
Bilan de la campagne 1983, CRAI, 1989, p. 129-173. Ben Abdallah
(Zeineb), Nouveaux aspects de la vie religieuse à Ammaedara, camp de la 3e
Légion Auguste, puis colonie de Vespasien en Afrique romaine, CRAI,
1992, p. 11-32.Baratte (François), Recherches franco-tunisiennes sur la
citadelle byzantine d'Ammaedara (Haïdra), CRAI, 1996, p.125-154. Bejaoui
(F.), Îles et villes de la Méditerranée sur une mosaïque d'Ammaedara (Haïdra en
Tunisie), CRAI, 1997, p. 825-858.
Duval (Noël), L'église de Melleus à Haïdra (Tunisie):
la campagne franco-tunisienne de 1967, CRAI, 1968, p. 221-244.
Duval (Noël), Les église d'Haïdra (églises dite de
Melleus et de Candidus et "chapelle vandale". Recherches
franco-tunisiennes de 1969, CRAI, 1969, p. 409-436. Duval (Noël), Les
églises d'Haïdra .III :l'église de la citadelle et l'architecture byzantine en
Afrique, CRAI, 1971, p. 136-166.
Duval (Noël) et Golvin (Jean-Claude), Haïdra à
l'époque chrétienne, IV : Le Monument à auges et les bâtiments similaires, CRAI,
1972, p. 133-172.
Duval (Noël), Baratte (F.) et Golvin (J.-C.),
Recherches archéologiques à Haïdra, CRAI, 1973, p. 156-178. GSELL (S.).
- Édifices chrétiens de Thélepte et d'Ammaedara, R.Tun., 34, 1932, fig.,
p. 5-56, 277-300. Héron de Vilefosse, Antiquités et inscriptions
grecques, romaines, trouvées à Carthage, Haidra et Gabès, BCTH, 1918, p.
CCXV-CCXXIV, CCXXVI-CCXXXIII, CCLLXI-CCLXIII.
Héron
de Villefosse (A.), Sculpture découverte près de Haïdra, BCTH, 1909, p.
CCVI.
Héron
de Villefosse, Antiquités et inscriptions grecques, romaines, trouvées à
Carthage, Haidra et Gabès, BCTH, 1918, p. CCXV-CCXXIV, CCXXVI-CCXXXIII,
CCLLXI-CCLXIII.
Merlin,
- Vase et figurine de terre cuite provenant de Cyrénaïque et. objets trouvés
dans des fouilles de la région de Kasserine, d'Haïdra, de Sidi-el-Hani et de
Sousse, entrés au Louvre, BCTH, 1927, p. 251-253.
Merlin,
Recherches archéologiques et inscriptions romaines du Kef, de Medeina, et
d'Haïdra, BCTH, 1907, p.CCLII-CCCLXII.
Piganiol
(A) et Laurent-Vibert (R.), Recherches archéologiques à Arnmaedara (Haïdra)
[Tunisie] MEFR, 32, 1912, pl., fig., p. 69-229.
Poinssot
(L.), Inscriptions romaines de Pheradi Maius (Sidi-Khalifa) et d'Haïdra, BCTH,
1927, p. 53-62.
Poinssot
(L.), Les inscriptions chrétiennes d'Haïdra, BCTH, 1934-1935, p.
69-81.
Poinssot
(L.), Découverte d'inscriptions et de stèles romaines à Haïdra, BCTH,
1927, p. 199-208.
Poinssot,
Note sur un milliaire de la région d'Haïdra et sur les tuiles estampillées
trouvées à Sousse, BCTH, 1934-1935, p. 218-220.
GSELL
(S.). - Édifices chrétiens de Thélepte et d'Ammaedara, R.Tun., 34, 1932,
fig., p. 5-56, 277-300.
Duval
(N.), Les inscriptions de la 'chapelle vandale' d'Haïdra d'après l'abbé
Delapard, BSNAF, 1969, p. 99-120, pl. XI-XII.
Mallon
(J.), Le texte gravé sur le linteau de Baric à Haïdra, BSNAF, 1969, p.
120-125.
Duval (N.), Trois notes sur les antiquités d'Haïdra, BSNAF,
1963, p. 44
Duval (N.), La basilique I d'Haïdra (église de
Melleus) état des recherches à la fin de 1966, BSNAF, 1967, p. 121.
Beschaouch (A.), A Ammaedara (Haïdra), une sodalité
africaine inédite : les Romuli, BSNAF, 1997, p. 165-170.
Benzina Ben Abdalllah (Zeïneb). A propos d'une abside
construite dans les thermes d'hiver d'Ammaedara, en 336, BCTH,
n.s., 22, 1987-9, p. 135
Benzina Ben Abdallah (Zeineb) - A propos d’un pont de
la voie de Carthage
à Théveste construit sous Hadrien à l’entrée d’Ammaedara, BCTH, n.s.,
24, 1993-95, p. 95.
Ben Abdallah Zeïneb L'expression d'un idéal de vie
sur une épitaphe métrique nouvellement découverte à Ammaedara (Haïdra,
Tunisie), (texte lu par A. Beschaouch), BCTH, n.s., 25, 1996-8, p.
127.
ZEÏNEB BENZINA BEN ABDALLAH, Sur une épitaphe
d'Ammaedara relative à un soldat de la IIIe légion Auguste, originaire de
Naples, Africa romana, 7, 1989, p. 763-795.
FÉTHI BÉJAOUI, Une nouvelle découverte d'époque
byzantine à Haïdra, Africa romana, 11,
1994, p.1385-1390.
MICHAEL MACKENSEN, Les castra hiberna de la legio
III Augusta à Ammaedara / Haïdra, Africa romana, 13, 1998, p.
1739-1760.
FÉTHI BÉJAOUI, Deux villes italiennes sur une
mosaique de Haïdra, Africa romana, 14, 2000,
p.503-508.
Ben Abdallah (Zeineb), D'Ammaedara à Carthage . Du nouveau sur les Flavii et sur
les Ranii, familles clarissimes d'origine africaine, MEFR, 1993, 105, 2,
p. 961-973.
Zeineb Benzina-Ben Abdallah et Leïla Ladjimi-Sebaï. – Egregiae
memoriae filia ? A propos d’une inscription inédite d’Haïdra (Tunisie)
, Ant. Af., 11, 1977, p.
161-166.
Zeineb Benzina Ben Abdallah. – Du côté d’Ammaedara
(Haïdra). Musulamii et Musunii Regiani, Ant.
Af., 28, 1992, p. 139-146.
Ben Abdallah (Zeineb) et Le Bohec
(Yann),Nouvelles inscriptions d'Haïdra concernant l'armée romaine, MEFRA, 109,
1997, 1p. 41-82.
1982 Duval (Y.), Loca sanctorum, t. I, 1982, p.
105 , n° 51 - 56 : inscriptions martyrologiques
Quartier général de la Legion III Augusta de 6 à 75
après J.-C. Le camp
doit être situé sous la
forteresse, Le Bohec, IIIe légion Auguste, 1989, p. 357.
Halan Sultan Tekké BK2:
vindplaats op Cyprus.
Halykos: Deze rivier op Sicilië vormt meestal de
grens tussen
het Griekse en
Carthaagse deel van het schiereiland.
H'M: Punische naam (2x
geregistreerd).
Hamilcar:
de naam betekent:Abd Melqart=dienaar van Melqart= dienaar van de koning
van de stad. Dit is volgens de
Dictionary van Lipinski. Toch is er wellicht enige verwarring. Bij Krahmalkov
(blz 356): hier wordt Hamilcar niet
met Abdmelqart geïdentificeerd. Op blz 159 en 187 worden hmlqrt en h.mlqrt niet genoemd.
H’M:
Hamilcar
1.Hamilcar,
zoon van Mago. Hij
leefde aan het begin van de 5e eeuw. Hij wordt genoemd bij Just.XIX 1. Volgens
Herod.VII 165 is hij echter de zoon van Hanno, die weer de zoon van Mago was.
Zie ook bij Diod.IX 20,2 e.v. Deze Hamilcar was koning en veldheer in het jaar
480,
waarbij
hij het leger en de vloot van Carthago naar Himera leidde, maar in de
belegering van de stad faalde en de dood vond. Zowel het leger als de vloot van
Carthago gingen goeddeels verloren.
Herodotus
meldt (VII 166), dat in Carthago en alle andere Punische kolonies offerdiensten voor
hem worden gehouden, maar mogelijk houdt men gewoon een offerdienst voor
Melqart.
2.Veldheer
van de Carthagers in de
oorlog tegen Timoleon. Zie:Diod XVI 77‑81,Plut.Timaeus 25‑29. In 343 stond Hamilcar met Hasdrubal aan het
hoofd van een aanzienlijk Carthaags leger, waarin zelfs de z.g. Heilige Bond
was opgenomen. Deze Heilige Bond bestond uit Carthaagse edelen. Het was
ongebruikelijk, dat de Carthagers in grote getale deelnamen op het slagveld
aan
de oorlogvoering. Het leger van Hamilcar en Hasdrubal wordt bij het oversteken
van de Crimisos verrast door het leger van Timoleon en zwaar verslagen. Hierna
worden Hamilcar en Hasdrubal teruggeroepen en vervangen door Gescon, die uiteindelijk
een vrede weet te bewerkstelligen.
3.Diplomaat
of spion voor Carthago
tijdens de veldtocht van Alexander de Grote door Voor‑Azië. Hij leefde dus
omstreeks 330. Hij wordt genoemd bij: Justinus 21 b, 1‑7 en Orosius IV 6,21.
Deze Hamilcar geeft zich uit voor een banneling of is dat ook werkelijk. Door
Parmenio wordt hij in het hoofdkwartier van Alexander de Grote geïntroduceerd.
Hij zou over de plannen en acties van Alexander naar Carthago bericht hebben.
Na de dood van Alexander keert hij naar Carthago terug, waar hij echter van
landverraad beschuldigd wordt en ook wordt terechtgesteld. Er zitten
tegenstrijdigheden in zijn geschiedenis. Was hij een spion voor Carthago, of
een dubbelspion, of
gewoon
een banneling, die zijn heil in het kamp van Alexander zocht?
4.Veldheer
van Carthago op Sicilië
tussen 320 en 312. Hij is voornamelijk een diplomaat en bemiddelt in de
chaotische verwikkelingen van Syracuse. Over hem wordt bericht door Justinus
XXII, 2, 6 en Diodorus XIX 70‑72. Deze Hamilcar schijnt zelfs in Syracuse zelf
zijn troepen gehad te hebben. Hamilcar laat Agathocles de stadsbevelhebber
worden op voorwaarde, dat hij de democratie in de stad geen geweld zal aandoen.
Zodra Agathocles echter de handen vrij heeft, trekt hij zich niets aan gedane
beloften en wordt een gevreesd tiran van Oost‑Sicilië. Hamilcar heeft zich
misrekend en wordt teruggeroepen, ofwel is hij al in Carthago terug als hij
door de Carthaagse bondgenoten wordt aangeklaagd. Zijn plotselinge dood
(zelfmoord?) verhindert een terechtstelling waarschijnlijk.
5.Veldheer
van Carthago in de
strijd tegen Agathocles. Hij wordt genoemd Diodorus XIX 109,5‑XX 16,1‑XXII, 3,9
e.v. In het voorjaar van 311 landt hij
op Sicilië en verzamelt alle beschikbare troepen. Hij trekt op naar Ecnomus aan
de zuidkust van Sicilië. In de daarop volgende veldslag overwint hij Agathocles
met vers aangekomen troepen uit Carthago en vooral met behulp van de
Balearische slingeraars. De veldslag vond plaats in juni 310. Agathocles wordt
tot Gela door Hamilcar achtervolgd. Daarna trekt Hamilcar naar het binnenland
en onderwerpt een groot deel van Sicilië. Als Agathocles in Afrika landt,
stuurt Hamilcar 5000 man aan troepen terug en neemt de belegering van Syracuse
ter hand. Hamilcar wordt bij schermutselingen rond het fort Euryalus gevangen
genomen en gruwelijk door de Syracusers gemarteld en gedood.
6.Veldheer
van Carthago in de
eerste Punisch‑Romeinse oorlog. Hij wordt genoemd door Zonaras VIII 10‑11, Polybius
I24,4 27 29 30 en 32, Diodorus XXIII, Orosius IV, 8 9, Eutropius II, 21,
Valerius Maximus IV en Polyaenus VIII. Deze Hamilcar begint zijn militaire
loopbaan voor zover bekend na de nederlaag van Hanno bij Akragas, die hij
opvolgt. Hij ontdoet zich van een onbetrouwbare
Gallische
huurlingentroep door hen gewild in een Romeinse hinderlaag te sturen.
Vervolgens plundert hij met een Carthaagse vloot de Zuid‑Italiaanse kust. In
260 is hij opperbevelhebber van het leger op Sicilië, terwijl een Hannibal de
vloot commandeert. Hamilcar belegert Segesta en weet de Romeinen onder
C.Caecilius een nederlaag toe te brengen. Na Hannibal's nederlaag bij Mylae
trekt hij zich terug op Panormus. Van hieruit doet hij een gelukte overval op
een contingent Romeinse bondgenoten bij Paropos (Collessano). Daarbij verliezen
deze 4000‑6000 man.
7.Barcas
of Baraq, hetgeen de
bliksem betekent. Veldheer van de Carthagers tijdens het laatste deel van de eerste
Romeins‑Punische oorlog, tijdens de huurlingenopstand én tijdens de verovering
van een goed deel van Keltiberië. In het jaar 247/246 neemt hij het commando op
Sicilië over van Carthalo. voor wat betreft de zeestrijdkrachten althans.
Daarmee verwoest hij de kusten van Lucanië en Bruttië. Jarenlang voert hij
verder een onafgebroken guerillaoorlog vanaf eerst Heircte en later vanaf Eryx.
In 241 krijgt hij Carthago de opdracht om vrede te sluiten, hetgeen hem lukt.
In de daarop uitbrekende huurlingenopstand wordt na enige tijd Hamilcar weer opgeroepen om ditmaal
samen met Hanno het bevel over de troepen op zich te nemen. Hij verslaat diverse
huurlingenlegers, maar de oorlog duurt nog tot in 238. Het verhaal wil, dat hij
met vele andere Carthaagse edelen én met zijn zonen zweert om nooit een vriend
van Rome te worden. Daarna vertrekt hij met zijn troepen via Numidië en
Mauretanië naar zuidelijk Keltiberië, dat hij na vele jaren van harde strijd
weet te veroveren. Daarmee stelt hij de militaire en economische positie van de
stad Carthago weer een stukje sterker. In de winter van 229/228 valt hij in de
nabijheid van Castulo of Elche in een hinderlaag, waaruit zijn zonen maar
tenauwernood kunnen ontsnappen.
|
afbeeldingen
|
Aangezien
Hamilcar in 247 minstens de volwassen leeftijd bereikt moet hebben (ca 25
jaar), moet hij ook tenminste 45 jaar oud geworden zijn. Zijn zonen waren
Hannibal, Hasdrubal en Mago. Een van zijn dochters wordt aan een Hasdrubal
uitgehuwlijkt, die hem als schoonzoon meevolgt naar Keltiberië en hem daar ook
opvolgt onder de naam Hasdrubal de Luisterrijke. Hamilcar Barcas heeft vele
verdiensten voor Carthago gehad. Een van de grootste is wel, dat hij de gevaarlijke
huurlingenopstand wist in te dammen. Hierbij
won hij een aantal veldslagen in Afrika. Op blz 411
(totaal)
of blz 47 van Deel Twee B van deze geschiedenis wordt gerept over de slag
"in het ravijn". Het ravijn met daaromheen het overigens prachtige
kartelgebergte van waarschijnlijk Djidjelli op enige tientallen kilometers van
Nabeul in Tunesië zou heel goed de plaats geweest kunnen zijn, waar de veldslag
zich kan hebben afgespeeld. Bronnen: Polybius II en III, Diodorus XXV, Appianus
1,4,5, Orosius IV 13 e.v, Zonaras VIII 19.
Foto 336.
Uit het archief
van de schrijver.
Kartelgebergte
van Djidjelli. De foto werd in noorde‑
lijke richting genomen. De
herkomst en betekenis van
de zuil is
onbekend.
Foto 332.
Uit het archief
van de schrijver.
Kartelgebergte
van Djidjelli op de achtergrond. De
foto werd naar
het noordwesten toe genomen.
Foto 333.
Uit het archief
van de schrijver.
Kartelgebergte van Djidjelli. De foto werd
naar het
zuidwesten toe
genomen.
8.Zoon
van Gescon (of
Gersacon), die in 218 door Tiberius Sempronius Longus gevangen genomen wordt
met zijn garnizoen te Melita (Malta), dat 2000 man telde (Zie:Livius XXI, 51, 1‑2).
9.Vlootvoogd
van Hasdrubal (broer
van Hannibal) vanaf in ieder geval 218. In het voorjaar lijdt hij een nederlaag
bij de Ebromonding, maar in 212 is hij weer terug. In de tussentijd schijnt hij
ook op en rond Sicilië actief geweest te zijn. In 208 gaat hij met Hasdrubal
mee naar Italië. Kennelijk blijft hij na de ramp bij Metaurus in de Povlakte
achter. Hij is wellicht de laatste Carthager, die blijft door strijden in deze
oorlog. In 200 weet hij een opstand te organiseren en verovert Placentia en
Cremona. Nabij Cremona valt hij in de slag tegen de praetor L.Furius. Rome had
inmiddels om
terugroeping
van deze Hamilcar gevraagd, maar Carthago was daartoe natuurlijk niet in staat.
Carthago confisceerde daarop zijn bezittingen.
Bronnen: Polybius III 95,2, VIII 1,8 Livius XXX 10‑11+19, XXXII 30 en
XXXIII 23. Livius vermeldt ook, dat in 197 een Hamilcar gevangen
genomen
wordt bij een zege van C Cornelius Cethegus over de Insubriërs en de Cenomanen.
Ofwel Livius volgt twee bronnen, ofwel
er zijn twee verschillende Hamilcar's actief in de Povlakte.
|
schema
|
10.bijgenaamd
de Samniet. In 151/150
was hij de aanvoerder van de democratische partij in Carthago. Hij deelde die
positie samen met Carthalo. Met vereende krachten verdrijven zij de pro‑Numidische
partij. Massinissa stuurt zijn zonen Gulussa en Micipsa naar Carthago om te
onderhandelen, maar die worden na zoveel Numidische grensschendingen niet meer
toege‑
laten.
Op hun terugtocht overvalt Hamilcar bovendien Gulussa, die maar ternauwernood
kan ontkomen. Bronnen: Appianus VIII 68‑70,
Polybius XXVII 10,2.
11.Een
voorname Carthager, die
in 149 naar de Romeinen gezonden wordt om de onderwerping van Carthago aan te
bieden. Hij keerde echter met het gezantschap terug zonder noemenswaard antwoord.
12.Veldheer
van de Carthagers in de
derde Romeins‑Punische oorlog. Hij had voorts de naam Phamaesas en leidde vooral de Carthaagse ruiterij. Bij
Appianus wordt hij Himilco genoemd. Scipio Aemilianus weet hem over te halen om
naar de Romeinen over te lopen. Bron:Polybius XXVI 3,8 e.v.
13.Schrijver
van een boek over de
landbouw. Bron:Col.12.4.2.
14.Voorname
burger van Leptis in
107.Bron:Sallustius in Jugurtha 77,1.
ncfps
Geen opmerkingen:
Een reactie posten