Ahiram: 1.koning van Byblos in de 14e of
13e eeuw. De exacte data zijn niet bekend. Zijn praalgraf is gevonden en hierop
stond o.a. een waarschuwing op t.a.v. eventuele grafschenners.
Of hoe weinig we eigenlijk zeker weten van
de vroegste geschiedenis van de Feniciërs.
Begin:
De
naam is verankerd aan een klomp steen met een deksel, die in 1923 werd ontdekt
in Byblos. De Egyptoloog P.Montet brengt een sarcofaag aan het daglicht en
treft er een inscriptie op aan. De afmetingen zijn 152 cm breed en 305 cm lang,
althans volgens de catalogus van de overigens prachtige tentoonstelling I
Fenici te Venetië (1988). Het boek De Levant (Könemann 1999/2000) lijkt wat
preciezer te zijn: lengte 297 cm, breedte 115 cm, hoogte 140 cm. Het is een
eerste voorbeeld over de verwarring en uitleg, zelfs bij zoiets eenvoudigs als
de omvang van de doodskist.
Afbeelding
Sarcofaag: ANEP 286, 456-459.
Eerste
datering:
P.Montet
publiceert zijn vondst in de publicatie: BYBLOS ET L’EGYPTE, Paris 1925 (blz
228-238). In het graf, waarin de sarcofaag werd gevonden, bevonden zich vazen
met de naam van Ramses II (1279-1212 v.C). Het is geen wonder, dat in eerste
instantie het object en de aangetroffen afbeeldingen en inscriptie gedateerd
werden naar de 13e eeuw v.C.
Zie: R.Dussaud,
Les inscriptions phéniciennes du tombe d’Ahiram, roi de Byblos, Syria 5, 1924,
blz 135-157 + Syria 6, 1925, blz 104.
De
eerste commentaren:
Vincent,
Revue Biblique 24, 1925, blz 183 + 25, 1926, blz 463
Cook, Palestina Exploration Fund, 1925, blz 269
Albright, Journal Palestine Oriental Society 6, 1926,
blz 76 + 7, 1927, blz 122.
Hans
Bauer, Orientalische LiteraturZeitung 28, 1925, blz 129
Lokatie
van het graf:
De
koninklijke graven bevinden zich in de Noordwest-hoek van Byblos binnen de
muren van de toenmalige stad. Voor wat betreft de opgravingen => Zie:
M.Dunand, die van 1926-1973 hier actief is geweest.
Opmerking; de letters met
speciale tekens worden zo goed mogelijk afgebeeld, zoals dat hoort. Daar waar
dat niet goed mogelijk is OP DEZE COMPUTER, wordt bijvoorbeeld een punt, die
eronder moet, achter de letter geplaatst!
Hoe
ziet de sarcofaag er uit:
N.Jidejian
beschrijft in 1968 de kist (Byblos through the Ages) en ook Porada (E.Porada,
Notes on the Sarcophagus of Ahiram, JANES 5, 1973, blz 355-372.) doet dat in
1973 uitgebreid (zie Krings, blz 471).
De kist is uit een geheel
gemaakt van kalksteen met daarop een rode beschildering. De sarcofaag wordt als
decoratie gedragen door vier kruipende leeuwen.
Aan
een kant van de sarcofaag wordt een koning of godheid afgebeeld op een troon en
bewaakt door gevleugelde sfinxen.
In
zijn linkerhand houdt hij een voorwerp of een bloem. Zijn voeten rusten op een
voetenbankje. Voor hem staat een rijkelijk voorziene tafel, dan wel altaar.
Hiernaartoe bewegen zich zeven personen (mogelijk hovelingen). Voorop loopt
mogelijk de zoon? De twee uiteinden van de sarcofaag hebben gebeeldhouwde
reliefs van vier vrouwen. Twee van hen slaan op hun borsten, of houden hun
borsten vast en twee heffen hun armen boven hun hoofden in waarschijnlijk een
pose van verdriet.
De
andere kant van de sarcofaag laat een processie zien van personen, die
geschenken of offerandes dragen en aanslepen. Allereerst twee vrouwen met
manden op hun hoofden gevolgd door twee mannen, die kruiken dragen op hun
schouders. Dan komt er een man, die een geit begeleidt en tenslotte drie
personen met de handen opgeheven als begroeting, als uiting van verdriet, of
biddend.
Boven
deze reliefs is een fries aanwezig met lotusbloemen, die om beurten open of dicht
zijn. Beneden het lotusbloemen motief is er een soort touw of koord aangegeven,
dat om heel de sarcofaag heen loopt.
Op
het deksel van de sarcofaag worden uitsteeksels (als een soort handvaten)
gevormd door de koppen van twee leeuwen, die gebeeldhouwd zijn in een laag
relief. Op dit deksel staat ook de beroemde inscriptie afgebeeld, waaronder nog
een pseudo-hiëroglyphenschrift waarneembaar is. Voorts staan er op de deksel
nog afbeeldingen van twee bebaarde mannen in een manteljurk-achtige kledij.
Zijn dit Ahiram en Ittobaäl? Aan de bovenkant van de deksel is in laag relief
de figuur op lichaamsgrootte van een koning(?) weergegeven.
(Zie o.a.: M.Haran, The Bas-Reliefs on the Sarcophagus
of Ahiram, King of Byblos in the Light of Archeological and Literary Parallels
fron the Ancient Near East, Isr.Expl.Journal, 1958, blz 15-25).
De
invloeden:
De
sfinxen
functioneren in de late bronstijd bij Syrische tronen als dragers van de troon
en zijn meer een structureel dan een decoratief element van de troon (Metzger,
Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 259). De vleugels zouden normaal
gesproken in de hals moeten beginnen, maar doen dat bij de Ahiram-sarcofaag pas
bij de borst, hetgeen “anatomisch” vreemd is (Metzger, Königsthron und
Gottesthron, 1985, blz 264). De rechtopstaande staart vormt het begin van de
rugleuning van de troon en is vergelijkbaar met vondsten te Garoub, Enkomi,
Bogazkoy en met een Hyksos scarabee en divers Myceens werk (Metzger,
Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 267). Over het algemeen geven de sfinxen
echter een Egyptische invloed weer, zeker in combinatie met veelvuldig
voorkomende lotusbloemen (Jidejian, Byblos through the Ages, 1968). De
omgekeerde mogelijke lotusbloem in de hand van de man op de troon is het
symbool van de dood. Samen met de fries geeft dit de Egyptische invloed weer
(Mazel, Avec les Phéniciens…1971, blz 62 e.v.).
De
leeuwen
laten een Syrisch/Mesopotaamse invloed zien en dat geldt ook voor het touw-ontwerp
(Jidejian, Byblos through the Ages). Mazel vermoedt, dat dat laatste wellicht
in verbinding is te brengen met de invloed van de Zeevolken: het touw-motief
zou in feite golven aangeven.
De
leeuwen kunnen ook een Hettietische achtergrond hebben (Mazel, Avec les
Phéniciens…1971, blz 62 e.v.). De troon, het gewaad, het kapsel geven de
invloed van de Mesopotaamse kunst weer (Mazel, Avec les Phéniciens…1971, blz 62
e.v.).
Mazel ziet de vrouwen op de
sarcofaag als klaagvrouwen in een Hebreeuwse en Fenicische rouwkledij
(Saq). Zij rukken zich de haren uit het hoofd en krabben zich de borsten open.
Harden heeft het in dit verband over Levantijnse tunieken met gordels (Harden,
The Phoenicians, 1980, blz 173).
Als
het al een begrafenisoptocht is, dan is de gelijkenis met het Adonis-festival
eeuwen later frappant (Krings, blz 330).
Wie
is de afgebeelde vorst op de troon?
De
afgebeelde vorst op de troon is waarschijnlijk Ahiram vindt een meerderheid van
de geleerden:
H.Gressmann,
AOB blz 190 Zeitschrift fur die Alttestamentliche Wissenschaft 42,
Giessen/Berlin 1924, blz 349
P.Montet, Byblos et L’Egypt, Textband 1928, blz 299
e.v.
L.H.Vincent, Les fouilles de Byblos, RB 34 1925, blz
182
R.Dussaud, Les quatres campagnes de fouilles … à
Byblos, Syria 11, blz 181 e.v.
K.Galling, Bibliches RealLexikon 1937, blz 416
J.B.Pritchard, ANEP blz 302
H.Frankfort, Art and Architecture, blz 159 e.v.
M.Noth,
Die Welt des Alten Testamentes, 1953, blz 125 e.v.
Toch
is dit niet waarschijnlijk, als de sarcofaag uit de 13e/12e
eeuw v.C stamt, of men zou een oorspronkelijke beeltenis dan verwijderd moeten
hebben en vervangen door een nieuwe en daar zijn geen sporen van te zien.
Blijft over, dat Ahiram toch teruggaat in tijd ook naar de 13e/12e
eeuw v.C!
M.Haran
is weer een heel andere mening toegedaan en stelt, dat de persoon een godheid
is en mogelijk MOT. [M.Haran, The Bas-Reliefs on the
Sarcophagus of Ahiram….]. Hij
ziet het voorwerp in de hand niet als een omgekeerde lotusbloem, maar als een
heerserstaf met leren riempjes (een soort gesel, zweepje). Bovendien staat er
voor de figuur een altaartafel, waarnaar offerandes worden aangesleept (olie,
geit, wijn e.d). Metzger ziet dat laatste echter als een tribuutbetaling aan de
koning dan wel als zijn laatste avondmaal (Metzger, Königsthron und
Gottesthron, 1985). Ook hier blijft het dus nog even gissen, wat nu feitelijk
de waarheid is.
Globale
inhoud van de aangetroffen inscriptie:
De
zoon Ithobaäl maakt een sarcofaag voor zijn overleden vader Ahiram (koning van
Byblos), waarbij hij eventuele grafschenners allerlei verschrikkingen toewenst.
KAI
1 = Kanaanäische und aramäische Inschriften, W.Röllig/H.Donner, Wiesbaden
1962-64 (3e ed:1971-76). TSSI III, 4:
Textbook of Syrian Semitic Inscriptions, J.C.L.Gibson.
Ithobaäl
behoeft niet de opvolgende koning te zijn. Het lijkt waarschijnlijk, dat hij
dat niet is. Hij is weliswaar de zoon, maar er kunnen nog andere zonen zijn.
Ithobaäl is de schrijver, die grote zorgen heeft over het graf van zijn vader
en iedereen verwenst, dat het graf alsnog gaat schenden.
De
namen:
naam
|
AHIRAM
|
ITHOBAAL
|
fenicisch
|
’hrm
|
’tb‘l
|
hebreeuws
|
ahirôm
|
’Etba‘al
|
akkadisch
|
Tu-ba-il/Tu-ba-’-lu
|
|
grieks
|
(E)ithobalos
|
|
latijns
|
Itibalis
|
|
betekenis
|
mijn
broer is verheven/verheerlijkt
|
Baäl
is met hem
|
Een
andere datering:
Zoals
gezegd werd de kist aangetroffen in een omgeving met 13e eeuwse
voorwerpen, zoals een ivoren plaquette en 2 vazen met cartouches van Ramses II.
Ook de gebeeldhouwde decoratie van de kist past goed bij de 13e
eeuw. Zo stelt Dimitri Baramki nog in 1961, dat Ahiram een tijdgenoot van
Rameses II (1298-1232 v.C) was (blz 25 Phoenicia and the Phoenicians).
Er
waren echter ook potscherven aanwezig uit de vroeg-ijzer periode. Verder bleek
er een ivoren beeldje (Montet CXLII nr.878) aanwezig te zijn, dat Barnett in
1982 (blz 46-47) op de 10e eeuw v.C gedateerd heeft (Krings blz
517). Bovendien bleek de inscriptie gedeeltelijk gegraveerd op delen van de
deksel, die beschadigd waren! Sidney Smith suggereert dan ook al, dat de kist
eerder en voor de tijd van Ahiram al werd gebruikt (Alalakh and Chronology,
1940, blz 46, note 117).
W.Culican
schrijft dan ook in 1967 de stenen doodskist van Ahiram toe aan de 10e
eeuw v.C en vind de oude inscripties van Thera en Rhodos veel lijken op die van
Ahiram (Kooplieden blz 124+127). Er ligt ook een parallel met vondsten uit
Kreta (Tekké).
De
kist stamt dus wel uit de 13e/12e eeuw, maar de
inscriptie met Ahiram en Ithobaäl uit een paar eeuwen later en wel op grond van
vergelijkbare inscripties op beelden van Seshonq I (950-929 v.C) en Orsokon I
(929-893 v.C)! Er is dus sprake van hergebruik!
Voor
wie werd de kist in de 13e/12e eeuw dan wel gebruikt?
Uit
de 14e eeuw kennen we nog een Rib-Addi (ca.1375-1355) via de
El-Amarna brieven, maar die is dus te ver terug in tijd om serieus in
aanmerking te komen. Verder kennen we uit de periode 13e/12e
eeuw eigenlijk niemand.
Pas
omstreeks 1075 komt er een koning Zakarbaäl in beeld t.t.v. de reis van de
Egyptenaar Wen Amon naar zijn stad. Dan volgt er weer een hiaat tot c.950,
wanneer de koning Yehimilk over Byblos regeert. In dit hiaat ware Ahiram te
plaatsen en dan specifiek in de periode c.1000-950. Althans dit lijkt de meest
gangbare opvatting te zijn van c.1940-1980 na Chr., maar niet iedereen denkt er
zo over.
Bedenk
overigens, dat zowel kist als deksel uit geheel andere tijden kunnen komen!
Bijvoorbeeld de kist uit de 13e eeuw, maar de deksel uit de 14e
of juist veel jonger. Wie zal het zeggen?
In
ieder geval plaatst V.Krings deze in de “Manuel de recherche: La Civilisation
Phénicienne et Punique, E.J.Brill, New York/Leiden/Leulen 1995” (op blz 225)
vlak na de tijd van Ashur-bel-kala (1073-1056 v.C), die Arwad bezocht schijnt
te hebben.
Een
herdatering:
KAI 1 uit Byblos zou dus uit c.1000 v.C stammen.
Paleografisch valt daar veel voor te zeggen, maar linguïstisch zijn er
twijfels. Wat de rol van het speciale Bylos-dialect met het achtervoegsel”-h”
en het betrekkelijk voornaamwoord “z”. Het oud-giblitisch zien we in de
inscriptie van Ahiram naar voren komen bij de samenvoeging met de “t-“:
thtsp
‘
|
dat [de scepter] zal breken
|
ththpk
|
dat [de troon] omver geworpen zal worden
|
M.Bernal pleit voor c.1400 v.C.als datering van
de Ahiram-inscriptie op grond van het meeste objectieve criterium der
linguïstiek, want hij zegt in zijn boek “Cadmeian Letters”, dat de Grieken het
Fenicische alfabet al voor 1400 v.C kwamen lenen. Zelfs Rib-Addi komt dan weer
in beeld als eerste gebruiker van de sracofaag. Ook G.Garbini in “Sulla
datazione di Ahiram” (AION 37, 1977 blz 81-89) baseert Ahiram op c.13e
eeuw vanwege de linguïstische verschijnselen, zoals:
-
de
vorm van het relatieve voornaamwoord
-
eind
stamletter van zwakke werkwoorden
-
het
ontbreken van een definitief lidwoord
-
de
vorm van het 3e mannelijke enkelvoudige voornaamwoord toevoeging
-
de
infix-t vorm van het werkwoord
-
onveranderlijk
rededeeltje ’l
-
de
vorm van de naam ’hrm
[AION=Annali
dell istituto Orientali di Napoli]
Deze linguïstische motieven zijn echter volgens
Edward M.Cook te zwak voor een verschuiving van de datering met een paar
eeuwen. De 7 argumenten worden bijna allemaal als niet overtuigend gezien, maar
dus niet geheel.
JOURNAL
NEAR EASTERN STUDIES 53, Univ.of Chicago,1994, On the Linguistic Dating of the
Ahiram, Edward M.Cook, Inscription KAI 1.
We blijven dus nog even hierover twisten. Wat te
denken bijvoorbeeld van het gebruik van de rechtopstaande kleine tussenstreepjes
als scheidingstekens tussen de woorden. Dat is voor Fenicische zinnen heel
ongebruikelijk en komt of voor bij heel archaïsche teksten als deze, of pas
veel later weer bij Neo-Punische teksten. Het gebruik van de scheidingstekens
pleit dus voor een hoge datering. Overigens ontbreken de scheidingstekens op
twee plaatsen in de Ahiram inscriptie en wel een keer tussen MLK GBL en op het
eind tussen YMH en SPRH.
‘
Waarom
is dat? Weggesleten of vergeten?
De
inscriptie in details:
Hierbij
zijn de meningen van Bauer (1925), Mentz (1944), Jidejian (1968), Mazel (1971),
Magnanini (1973), Teixidor (1987) en Krahmalkov (2000) de veelal terugkerende
ijkingspunten.
De
eerste regel
geeft nog het minste problemen. De naam van Ithobaäl wordt uiteindelijk goed
gelezen en de betekenis komt vrijwel op hetzelfde neer.
’RN ZP‘L [.]SB‘L BN ’HRM
MLK GBL L’HRM ’BH KšTH B‘LM
‘ ‘
Bauer 1925:
Sarcofaag, die ..sba‘al, zoon van Ahiram,
koning van Byblos, gemaakt heeft voor Ahiram, zijn vader, als een rustplaats in
de eeuwigheid.
Mentz 1944:
Sarcofaag, die ..sba‘al, zoon van Ahiram,
koning van Byblos, gemaakt heeft voor Ahiram, zijn vader, als een rustplaats in
de eeuwigheid.
’RN ZP‘L [.]TB‘L BN ’HRM
MLK GBL L’HRM ’BH KšTH B‘LM
‘ ‘
De
S wordt voor de T ingeruild!
Jidejian 1968:
De kist, die (It)tobaal, zoon van Ahiram,
koning van Byblos, maakte voor zijn vader als [verblijf]plaats in de eeuwigheid.
Mazel 1971:
Sarcofaag, die Ithobaäl, de zoon van
Ahiram, koning van Gebal, heeft gemaakt voor zijn vader Ahiram als woning voor
de eeuwigheid.
P.Magnanini 1973:
Sarcofaag, die [’]TB‘L, zoon van ’H.RM,
koning van Byblos, gemaakt heeft voor zijn vader, waarin hij in bewoning is
gegeven voor de eeuwigheid.
J.Teixidor 1987:
Sarcofaag, die Itthobaal, zoon van Ahiram,
koning van Byblos, heeft gemaakt voor zijn vader, want hij heeft hem in het
graf gelegd.
Opmerkelijk
is, dat alleen J.Teixidor de specifieke aanduiding van eeuwigheid weg
laat in zijn vertaling, daar waar ‘LM toch echt eeuwigheid betekent. [Javier
Teixidor, L’inscription d’Ahirom à nouveau, CNRS, Paris, Syria 1987, blz 137
e.v.]
van Diessen 2004:
{Dit is de} sarcofaag, die [I]tobaäl, zoon
van Ahiram, {die de} koning van Byblos {was}, gemaakt heeft voor zijn vader
Ahiram, als eeuwige rustplaats.
Begin
tweede regel:
Dit
geeft al meer problemen en verschillende interpretaties!
W’L MLK BMLKM WSKN BS[K]NM
WTM’ MKNT ‘LY GBL
Bauer
1925:
Begint een koning onder de koningen of een stadhouder onder de
stadhouders en die een legerkamp tegen Gebal opricht
Mentz 1944:
Als een koning onder koningen of een
stadhouder onder stadhouders en de gehele kust als een leger tegen Byblos
optrekt
Al
ras wordt duidelijk, dat de K in MKNT een H moet zijn:
‘
W’L MLK BMLKM WSKN BS[K]NM
WTM’ MHNT ‘LY GBL
‘
Jidejian: 1968:
En als een of andere koning, een of andere
goeverneur, of een of andere legeraanvoerder Byblos aanvalt
Mazel: 1971
Indien een koning onder de koningen of een
stadsvorst onder de stadsvorsten Gebel belegert
Magnanini: 1973
En als een koning tussen de koningen en een
goeverneur tussen de goeverneurs en een bevelhebber van een legerkamp Byblos
zal aanvallen
Uit
deze vertalingen blijkt, dat men uitgaat van een soort aanval op Byblos. Dat
hoeft niet zo te zijn. Albright (JAOS 67, 1947, blz 155) vertaalt al wat
nauwkeuriger: het bestijgen of beklimmen van Byblos. Net zoals: ‘LH BYT’L
het bestijgen van Bethel betekent. Deze analogie heeft S.Gevirtz al
opgemerkt (VT 11, 1961, blz 147, note 1). Het gaat dus eigenlijk alleen maar om
een machtsovername. Wie wordt de toekomstige koning van Byblos?
Voor
zover bekend, heeft Byblos ook alleen in de tijd van Rib-Addi (1375-1355 v.C)
te maken gehad met een militaire bedreiging, maar die is eigenlijk te “oud”.
Bij Zakar-baäl (c.1075) kan ook sprake zijn van een militaire bedreiging door
bijvoorbeeld de Tjeker of de Zakkari’s, terwijl dan de eerste Assyrische grote
strooptocht door Tiglat-pileser I plaats vindt. In de 10e eeuw v.C
heeft Byblos eigenlijk niet te maken met een serieuze militaire dreiging.
Waarschijnlijker is het echter, dat het in de
Ahiram-inscriptie gaat om een wisseling van de regeringsmacht, of die nu legaal
of illegaal zal zijn. Ittobaäl vreest, dat de nieuwe machthebber onwelgevallige
restanten en inscripties van vorige koningen zou willen verwijderen en plaatst
daarom enige waarschuwingen om dat niet te doen op de sarcofaag. [G.Garbini, I
Fenici, Storia e religione, Napels, 1980, blz 61]
Teixidor 1987:
Indien een koning tussen de koningen, of
een goeverneur tussen de goeverneurs, of een legeraanvoerder Byblos bestijgt
Het
is verder merkwaardig, dat er wel gesproken wordt over een koning tussen
koningen, over een goeverneur tussen goeverneurs, maar niet over een
legeraanvoerder tussen legeraanvoerders. Wat kan hier bij Ithobaäl de bedoeling
van zijn?
Krahmalkov
[Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000] zoekt er niet veel achter en maakt
juist een vereenvoudigde vertaling:
Krahmalkov 2000:
Als enige koning of enige goeverneur of
enige generaal van het leger <die mij opvolgt als regeerder> over Byblos
Kan
het echter zijn, dat Ithobaäl een geweldloze machtsovername door een koning of
goeverneur waarschijnlijker achtte dan een militaire actie door een generaal?
en dat hij daarom de toevoeging onder de legeraanvoerders weg laat?
Kan
het zo zijn, dat er in Byblos sprake was van drie grote machtsfaktoren,
namelijk:
1.de
koning (hogepriester)
2.de
goeverneur (Egyptische invloedsfeer)
3.de
militaire commandant
En
komt deze machtsdriedeling niet tot uiting in de in de volgende regel naar
voren komende voorwerpen?
Had
er niet eigenlijk volledig moeten staan:
van Diessen 2004:
Indien een koning tussen de koningen, of
een goeverneur tussen de goeverneurs, of een legeraanvoerder {tussen de
legeraanvoerders} {de troon van} Byblos bestijgt
Was
Ithobaäl gewoon een beetje lui om het volledig in te krassen, of was er niet
plaats genoeg? Of, waren er meerdere gegadigden voor het koningsschap en voor
de post van goeverneur en was er een figuur mogelijk als militair commandant?
Een
verder vervolg van de inscriptie en het begin van de vervloeking:
WYGL ’RN ZN THTSP HTR
MšPTH THTPK THTPK KS’
‘ ‘’ ‘
Bauer 1925
en deze sarcofaag bloot legt, de scepter
van zijn regering (zal breken), de troon van zijn heerschappij zal omvergegooid
worden
Bauer
komt met een plausibele vertaling, die door de jaren goeddeels stand zal
houden, maar Mentz komt met een vergezochte Egyptische verklaring.
Mentz 1944
en (als hij) deze sarcofaag bloot legt, zal
Hathor, die (daar) op let, afschrikken en door haar strafgerecht zal zij de
troon van zijn koningschap omverwerpen
Jidejian 1968
en deze kist bloot legt, laat dan zijn
juridische scepter breken, laat zijn koninklijke troon omver geworpen worden
Mazel 1971:
en deze sarcofaag ontdekt, dan zal de
scepter van zijn macht worden gebroken, de troon van zijn koninkrijk zal omver
geworden worden
Greenfield
signaleerde al in Bulletin 8 (blz 254-257), dat
THTSP
HTR MšPTH =
‘
‘’ ‘
dat
de troon van zijn koninkrijk omver geworpen dient te worden.
De
termen scepter (hoter) en troon (ks’) zijn de symbolen van het koningsschap,
hetgeen zijn parallelen heeft met de Mesopotamse en Bijbelse literatuur. Er
ligt ook een parallel met een inscriptie van Zincirli (Donner-Röllig KAI
214,8-9). De idee, dat de scepter van de koning “een scepter van gerechtigheid”
is, sluit ook aan bij vergelijkbare teksten in de literatuur van het oude
Nabije Oosten.
De
tekst van Ahiram kondigt de bestraffing aan, die de koning/usurpator zal
ondergaan door te zeggen, dat zijn scepter gebroken zal worden en zijn troon
zal omver geworpen worden, net zoals dat in de tekst van Oegarit (UT 49, VI
27-29)
tot uiting komt en die
H.L.Ginsberg (Orientalia 5, 1936, blz 197) als volgt vertaald heeft:”Overturned (be) the trone of thy Kingdom,
broken the scepter of thy Rule”. Ginsberg vaagt zich zelfs af (note 3, blz
179) of de overeenkomst niet zodanig groot is, dat hier sprake is van een
citaat uit het betreffende heldendicht. Van dit aangaat, is een en ander op een
rij gezet door J.Teixidor in Syria, 1972, blz 431.
Magnanini 1973:
en deze sarcofaag zal ontbloten, dan zal zijn scepter van zijn macht
breken en dan zal de troon van zijn regering omver geworpen worden
Teixidor 1987:
en deze sarcofaag opent, dat dan de scepter van zijn macht zal breken,
dat zijn koninklijke troon omver geworpen zal worden
Krahmalkov 2000:
als hij deze grafkist zal verwijderen, dan zal zijn koninklijke scepter
breken, zijn koninklijke troon zal omver geworpen worden
Verwijderen, ontbloten,
ontdekken, openen van de sarcofaag.
Hou het gewoon bij openen,
dat de meest plausibele vertaling van PTH is.
‘
Verder hoort scepter bij
“macht” en troon hoort bij het “koningsschap” en dat is betekenisvol
onderscheid, dat ook te maken kan hebben met legitimiteit en usurpatie.
van Diessen 2004:
en deze sarcofaag opent, dat dan de scepter van zijn macht zal breken,
dat zijn koninklijke troon omver geworpen zal worden
Is
niet de troon het symbool van de koning, de scepter het symbool van de
goeverneur en het voetenbankje het symbool van de militaire commandant, die
over de vrede moet waken? Dat laatste komt in de volgende frase tot uiting:
Het
vervolg, maar wel wezenlijk, is:
WNHT TBRH ‘L GBL
‘ ‘
Bauer
1925:
en rust zal komen over Gebal
Mentz 1944:
en zal NHT tegen Byblos drijven
‘
Bauer
ziet Byblos nog tot rust komen, maar Mentz ziet wel correct, dat er onrust komt
en laat NHT = Thot aanrukken.
‘
Jidejian 1968:
en laat de vrede van Byblos heengaan
Mazel 1971:
en er zal vrede heersen over Gebel
Jidejian
en Mazel hebben ook een tegengestelde mening over de (on)rust in Byblos!
M.Metzger
heeft een bijzondere mening over de betekenis van NHT:Himmliche und Irdische
Wohnstatt Jahwes (Ugaritische Forschungen 2, 1970, blz 157-158)
‘
Hij
brengt NH.T in verbinding met teksten van Oegarit (Vorderasiatische Bibliothek,
DB 47). Zie ook: ANET 137, C.Gordon UT blz 254 regel 46-47, II Keret VI 23-24,
ANET 149, C.Gordon, blz 127 regel 23-24.Hier worden genoemd:kse mlk,nht,kht
drkt
- ‘’
Metzger
citeert dan II AB I, 34 (ANET 132,C.Gordon blz 170,tekst 51,I,34):
kht
il nht = een godentroon, rust(zetel)
‘ -
De
stelling van Metzger is, dat koningstroon (kse mlk) en
heerserszetel
(kh.t. drkt) beiden in te lijsten zijn in de term nh.t, waardoor deze term ook
de koningstroon betekent.
Dan
verbindt Metzger nh.t met het Hebreeuwse mnwh.h (Is 11,10+66,1, Ps.132,14). Ook
W.F.Albright deed dat met I Koningen 8,56 om nh.t in de Ahiram inscriptie te
verklaren. De conclusie van Metzger is, dat nh.t niet een passieve welvaart
betekent, maar een actieve, waarbij de bron de troon is. De troon maakt de
welvaart en is daar niet het gevolg van.
Zo
komt ook Metger tot de volgende vertaling:
Metzger 1970:
dat de vrede van Byblos zal weggaan
J.
Teixidor plaatst hier in 1973 al de volgende kanttekeningen bij (Syria L 1973).
De term nh.t verbindt zich zeker met het Oegaritische nh.t, maar de
vergelijking met het Hebreeuwse mnwh.h lijkt niet bevredigend, zelfs als de
twee termen betrekking hebben op dezelfde wortel. In de teksten van Oegarit
betekent nh.t: podium, opstapje.
Andere
verklaringen zijn bijvoorbeeld:
Ginsberg
|
ANET
|
baldakijn
troonhemel
|
||
Gordon
|
UT
|
baldakijn
troonhemel
|
||
Gray
|
KRT
text
|
Leiden
1964
|
blz
28+76
|
baldakijn
troonhemel
|
Sauren
Kestemont
|
Keret,
roi de Hubur
|
Ugar.Forsch.3
1971
|
blz
219
|
divan
|
De
vertaling van Metzger als “rust(zetel)” geeft aan de term een abstracte
betekenis, die niet goed past bij de context, meent Teixidor. Het is waar, dat
men gebruikelijk in de tekst van Byblos nh.t vertaalt met “vrede”, maar ook dat
houdt niet voldoende rekening met de context. Teixidor verwijst naar de
Oegaritische tekst (IAB VI 27-28, Gordon UT blz 169 tekst 49, ANET 141,
Th.Gaster Thespis 1966, blz 227), waarbij de koning van Oegarit de lementen van
zijn macht opsomt:alt tbtk, ksa mlkk et ht mtptk
- -‘ - ‘
=
het podium, de stoel en scepter van de koning van Oegarit lijken de parallel
met de tekst van Byblos in te houden en men dient dus nh.t te vertalen met podium
of voetenbankje. Dat staat ook daadwerkelijk op de sarcofaag van Ahiram
afgebeeld!
Ginsberg
(Orientalia 1936 blz 179), Albright (JAOS 67, 1947 blz 156), Gevirtz (VT 11,
1961 blz 147) en Greenfield (Bull.1972 blz 105) hebben dit parallelisme
evenzeer opgemerkt, maar ze blijven volgens Teixidor onvolledig, omdat ze nh.t
in de Ahiram inscriptie blijven vertalen met: vrede.
Volgens
Teixidor kan nh.t slechts een concreet voorwerp zijn, zoals de stoel en
de scepter van de koning, maar in de frase van nht tbrh ‘l gbl is weer
een vertaling met voetenbankje
‘ ‘
moeilijk
te plaatsen!
Men
houdt dus toch op: dat de vrede uit Byblos wegvlucht.
Het
is niet bevredigend, omdat dan de betekenis van het voorzetsel ‘l geweld wordt
aangedaan.
Maar
waarom kan nh.t eigenlijk niet twee betekenissen hebben?
In
de Nederlandse taal betekent pier bijvoorbeeld zowel worm als havendam!
Magnanini
1973:
en de vrede zal uit Byblos wegvluchten
Teixidor 1987:
en dat de rust voor wat betreft Byblos zal
verdwijnen
Krahmalkov 2000:
en de vrede zal uit Byblos verdwijnen
van Diessen 2004:
en dat de rust {gesymboliseerd door het
voetenbankje} voor wat betreft Byblos zal verdwijnen
En
tenslotte de laatste frase:
WH’ YMH SPRH LPP ŠBL
‘
Mentz 1944:
en deze zal zijn inscriptie uitwissen,
zoals de uitspraak van de weger aangeeft.
Onder
de weger verstaat Mentz Anubis. Mentz blijft wel konsekwent in het vinden van
de oplossing op de Egyptische manier.
Jidejian 1968:
en voor wat hem betreft laat een vagebond
(?) zijn inscriptie(s) uitvlakken.
Jidejian
zet zelf al een vraagteken bij deze oplossing.
Mazel 1971:
wat hem (de heiligschenner) betreft, zijn
inscriptie zal verdwijnen uit de ingang van de onderwereld.
Mazel
haalt er om onduidelijk gebleven redenen de onderwereld bij.
Magnanini 1973:
en wat hem betreft, dat men zijn inscriptie
zal uitwissen …. ….
De
vertaling van beide laatste woorden is niet mogelijk, zegt Magnani en dat is
verstandig bij de wel zeer onduidelijke laatste woorden op de sarcofaag.
Maar
dan komt Javier Teixidor, want hij heeft van Jean Starckey een tot dan toe nog
niet uitgegeven reproductie van de sarcofaag gekregen, waardoor het einde van
de inscriptie beter gelezen kan worden. Zie: J.Teixidor, L’inscription d’Ahirom
à nouveau, CRNS, Paris, Syria LXIV 1987, blz 137.
Er
blijkt te staan: LPN GBL
Reeds
N.Aimé-Giron stelde dan ook in 1943 (Annales du Service des Antiquités de
l’Egypte 42, Caïro, blz 316) al voor om LPN te lezen, waarbij hij
onderstreepte, dat bij de dan beschikbare documentatie het niet kon om daarna
GBL te lezen.
En
bij de informatie van Starkey kan het nu dus wel.
Teixidor 1987:
dat zijn inscriptie uitgewist zal worden in
het aanzicht van Byblos.
Krahmalkov 2000:
en als hij deze inscriptie zal uitwissen,
dan zal zijn lange <koninklijke> sleepjurk scheuren.
Krahmalkov
negeert de bevindingen van Teixidor, of heeft dat gewoon gemist. Hij leest nog
LPP šBL. Bovendien denkt hij, dat het uitwissen van de inscriptie die van
Ittobaäl is en niet die van de nieuwe heerser. L-P-P = scheuren (blz 262
Dictionary).
Het is onduidelijk hoe hij
met šBL tot de lange sleepjurk komt.
van Diessen 2004:
dat zijn inscriptie uitgewist zal worden in
het aanschijn van Byblos.
Ik
denk, dat de vervloeking voortgaat en dat ook de nieuwe inscriptie van de
opvolger dan uitgevlakt dient te worden.
In
zijn totaliteit in enigszins begrijpelijk Nederlands:
{Dit is de} sarcofaag, die [I]tobaäl, zoon
van Ahiram, {die de} koning van Byblos {was}, gemaakt heeft voor zijn vader
Ahiram, als eeuwige rustplaats.
Indien een koning tussen de koningen, of
een goeverneur tussen de goeverneurs, of een legeraanvoerder {tussen de
legeraanvoerders} {de troon van} Byblos bestijgt
en deze sarcofaag opent, dat dan de scepter van zijn macht zal breken,
dat zijn koninklijke troon omver geworpen zal worden
en dat de rust {gesymboliseerd door het
voetenbankje} voor wat betreft Byblos zal verdwijnen en dat zijn inscriptie
uitgewist zal worden in het aanschijn van Byblos.
H.R.van
Diessen, Apeldoorn, april 2004.
Literatuur
-KAI 1 = Kanaanäische und aramäische Inschriften,
W.Röllig/H.Donner, Wiesbaden 1962-64 (3e ed:1971-76).
-TSSI III, 4:
Textbook of Syrian Semitic Inscriptions, J.C.L.Gibson.
-catalogus van de tentoonstelling I Fenici te
Venetië (1988).
-De Levant Könemann 1999/2000
-P.Montet: BYBLOS ET L’EGYPTE, Paris 1925 blz
228-238
-P.Montet, Byblos
et L’Egypt, Textband 1928, blz 299 e.v.
-R.Dussaud, Les
quatres campagnes de fouilles … à Byblos, Syria 11, blz 181 e.v.
-R.Dussaud,
Les inscriptions phéniciennes du tombe d’Ahiram, roi de Byblos, Syria 5, 1924,
blz 135-157 + Syria 6, 1925, blz 104.
-Vincent, Revue
Biblique 24, 1925, blz 183 + 25, 1926, blz 463
-L.H.Vincent, Les
fouilles de Byblos, RB 34 1925, blz 182
-Cook, Palestina
Exploration Fund, 1925, blz 269
-E.M.Cook, On the
linguistic dating of the Phoenician Ahiram Inscription, Hebrew Union College,
Cincinnati, Journal of Near Eastern Studies, jan.1994, vol 53, nr.1.
-M.Bernal,
Cadmeian Letters
-Albright, Journal
Palestine Oriental Society 6, 1926, blz 76 + 7, 1927, blz 122.
-Albright (JAOS
67, 1947 blz 156),
-Hans Bauer, OLZ
28, 1925, blz 129
-E.Porada, Notes
on the Sarcophagus of Ahiram, JANES 5, 1973, blz 355-372.
-M.Haran, The
Bas-Reliefs on the Sarcophagus of Ahiram, King of Byblos in the Light of
-Archeological and Literary Parallels from the Ancient Near East,
Isr.Expl.Journal, 1958, blz 15-25
-M.Metzger,
Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 259+264+267
-M.Metzger:Himmliche
und Irdische Wohnstatt Jahwes Ugaritische Forschungen 2,1970, blz 157-158
-Vorderasiatische
Bibliothek, DB 47.
-Jidejian, Byblos
through the Ages, 1968.
-Mazel,
Avec les Phéniciens à la poursuite du soleil sur la route de l’or et de
l’etain…1971, blz 62 e.v.
-H.Gressmann, AOB
blz 190 ZAW 42, 1924, blz 349
-K.Galling, BRL
1937, blz 416
-J.B.Pritchard,
ANEP blz 302
-H.Frankfort, Art
and Architecture, blz 159 e.v.
-M.Noth, Die Welt des Alten Testamentes, 1953,
blz 125 e.v.
-D.Harden, The Phoenicians, 1980, blz 173
-Alalakh and
Chronology, 1940, blz 46, note 117
-G.Garbini
“Sulla datazione di Ahiram” (AION 37, 1977 blz 81-89)
-JOURNAL NEAR EASTERN STUDIES 53, Univ.of
Chicago,1994, On the Linguistic Dating of the Ahiram, Edward M.Cook,
Inscription KAI 1
-G.Garbini, I Fenici, Storia e religione, Napels,
1980, blz 61
-S.Gevirtz (VT 11, 1961, blz 147, note 1).
-Krahmalkov [Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000]
-Oegarit
(UT 49, VI 27-29)
-H.L.Ginsberg
(Orientalia 5, 1936, blz 197+ (note 3, blz 179)
-H.L.Ginsberg
(Orientalia 1936 blz 179),
-J.Teixidor
in Syria, 1972, blz 431
-J.Teixidor
(Syria L 1973 BES)
-J.Teixidor
(Syria LXIV 1987, blz 137) L’inscription d’Ahiram à nouveau
-ANET:
The Ancient Near Eastern Texts relating to the Old Testament, 3e
ed.Princeton, 1969, J.B.Pritchard (ed).
-ANET 137, C.Gordon UT blz 254 regel 46-47, II
Keret VI 23-24
-ANET 149, C.Gordon, blz 127 regel 23-24.
-ANET 132,C.Gordon blz 170,tekst 51,I,34
-Isaia 11,10+66,1
-Psalmen.132,14
-I Koningen 8,56
Gray
|
KRT text
|
Leiden 1964
|
blz 28+76
|
Sauren
Kestemont
|
Keret, roi de Hubur
|
Ugar.Forsch.3 1971
|
blz 219
|
-IAB VI 27-28, Gordon UT blz 169 tekst 49, ANET
141
-Th.Gaster Thespis
1966, blz 227
-Greenfield
(Bull.1972 blz 105)
-R.Hachmann, Das
Königsgrab von Jbeil (Byblos), Istanbuler Mitteilungen 17, 1967, blz 93-114
-M.Chébab,
Observations au sujet du sarcophage d’Ahiram, Mélanges de l’Université Saint
Joseph, nr 14, 1970, blz 107-117, Beyrouth.
-W.Röllig, Die Ahirom-Inschrift, Festschrift fur
U.Hausmann, Tubingen, 1982, blz 367-373.
-B.Mazar, The
Early Biblical Period, Historical Studies, Jerusalem 1986, blz 231-247.
-D.Baramki,
Phoenicia and the Phoenicians, Beirut, 1961.
-W.Culican, De kooplieden van de Levant,
Amsterdam/Brussel, 1967, i.e.v.v.M.Gerritsen.
-A.Massa, The
Phoenicians, Minerva, Genève, 1977 (blz 16+112).
-P.Magnanini, Le
iscrizioni fenicie dell’oriente, Roma 1973.
-N.Aimé-Giron,
1943 ASAE 42, blz 316
- V.Krings “Manuel de recherche: La Civilisation
Phénicienne et Punique, E.J.Brill, New York/Leiden/Leulen 1995”(blz 225, 230,
293, 471, 517).
Ahi‑qu‑mu: Gereconstrueerde naam, voorkomend in
JADD 513 R4.
Ahituv,
S: Boek:Canaanite toponyms in
ancient egyptian documents
'HLB*L: Fenicische naam(1xteruggevonden).
'HLMLK: Fenicische naam(1xteruggevonden).
'ḥ'M: Fenicische
naam(1xteruggevonden).
'HMN: Fenicische
naam(1xteruggevonden).
'ḥNDB: Fenicische naam(1xteruggevonden).
’ḥnds:
'ḥ*LN: Neo‑Punische naam.
Ahotmilk: eigennaam.____________________
Afbeelding
|
____________________
'ḥR: Punische naam(1xteruggevonden).
'
'ḥRM: Fenicische
naam(1xteruggevonden).
'
'ḥS(H)BN: Neo‑Punische naam uit San Antioco(1x).
'
'ḥTMYLKT: Neo‑Punische naam uit Maktar(2 x
geregistreerd).
'
'HYY'GL: Neo‑Punische naam(1 x
geregistreerd,Jongeling).
Ai BK2
ijzer
Aïbousim: Het huidige Ibiza, een eiland van de
Balearen, dat volgens de overlevering in 654 door de Carthagers vereerd wordt
met een kolonie. Na 201 wordt het eiland weer van vreemde smetten vrij om in
123 tenslotte door de Romeinen overgenomen wordt. ZIE:IBIZA.
AIEO: afkorting voor de periodiek:Annales Institut d'études
Orientales.
Aigithalos: Het schiereiland voor de westpunt van
Sicilië. Het schermt de baai van Motya af van de open zee.
Aïn
Cherchouch: vindplaats Noord-Afrika
Aïn Dahlia Kebira:
necropolis achter Tanger.
Aïnel:
plaats in de Libanon
Ain
el-Hayat: heiligdom bij Amrit.
Ain
el‑Kebch: plaats in Algerije, waar Neo‑Punische
inscripties gevonden zijn.
Aïn
Tounga: vindplaats in Noord-Afrika
(Thignica).
Ain
Youssef: plaats in Algerije, waar Neo‑Punische
inscripties gevonden zijn. Het is identiek aan Naraggara.
Aïn
Zakkar: vindplaats Ceres inscriptie
in Noord-Afrika.
Aïranim: Pantelleria. Eiland in de
Middellandse zee ten zuiden van Sicilië en ten oosten van Kaap Bon. Het eiland
geraakt pas definitief in Romeinse handen in de tweede Carthaags/ Romeinse
oorlog. Het eiland was echter van de vroegste tijden der Fenicische zeevaart
een relaisstation in de hoge zee. Dat betekent, dat het eiland als zodanig
reeds dienst deed in de tiende eeuw.
________________________
________________________
Zie
voorts Studi Semitici 19: Mozia‑II 1966, Istituto di studi del vicino oriente,
universita' di Roma. Ricognizione archeologica a Pantelleria:Alessandro Verger.
vervolg Aïranim:
_______________________________________________________________________
KAART
Pantelleria
M.S.Elmo
Gadir
M
Gelkamar
Tracino
Porto
di
Scauri
Porto
di
Nika
Salto della vecchia
Punta Molinazzo
______________________________________________________
AJA: afkorting voor het tijdschrift
American Journal of Archaeology.
AJSL: afkorting voor het tijdschrift
American Journal of Semitic Languages and Literatures.
Akary: koning van Byblos tussen 1690 en
1670.
Akation: Een klein hulpzeil, dat de
Feniciërs en Carthagers veelvuldig benutten. Het was bevestigd aan de boeg van
een schip en diende in zeegevechten om te vluchten bij dreigende overvaring
door andere schepen.
Akäy: koning van Byblos tussen 1670 en
1650.
'KBRS: Neopunische naam(1 x
geregistreerd,Jongeling).
'KBRT: Punische naam(1xteruggevonden).
Akht: de naam komt voor in de Oegarit
legenden. Hij is de zoon van koning Danel(Dn'il). Hij krijgt van Kothar en
Kharsis(de smeden van de goden) een boog. Deze enorm sterke en mooie boog wil
Anat zich toeëigenen, maar Akht weigert hem af te staan. Daarop verandert Anat
een volgeling van haar (Jatpan) in een gier, die Akht doodt.
Akhzib: Fenicische stad tussen Tyrus en
Acco, gelegen aan een kleine kaap voor de kust. Er werden opgravingen verricht
door J Whittaker, waarbij veel rode keramiekscherven werden gevonden.
kaart
|
________________________
________________________
Zie:Harris,
Grammar of Fenician, blz 76. Akhzib werd in de oudheid ook wel Ecdippa genoemd.
Tegenwoordig
heet de plaats Zib en ligt in de grensstreek van Israël en Libanon. De gevonden
keramiek stamt uit de achtste eeuw. In grote lijnen volgt Akhzib de
geschiedenis van Tyrus. Er zijn echter nauwelijks historische feiten bekend over
de lotgevallen van de kleine nederzetting, die in
belangrijkheid
achterblijft bij bijvoorbeeld Accra. Akhzib ligt op een kleine kaap aan de
monding van
een
kleine rivier. De gegeven fysische omstandigheden zijn niet bepaald gunstig
voor een grote nederzetting. Akhzib leefde vermoedelijk van de visvangst en de
landbouw.
Akkad BK2:
Mesopotaamse staat.
NCFPS
Geen opmerkingen:
Een reactie posten