zaterdag 21 juni 2014

A6


Ahiram:            1.koning van Byblos in de 14e of 13e eeuw. De exacte data zijn niet bekend. Zijn praalgraf is gevonden en hierop stond o.a. een waarschuwing op t.a.v. eventuele grafschenners.

 

Of hoe weinig we eigenlijk zeker weten van de vroegste geschiedenis van de Feniciërs.

 

Begin:

De naam is verankerd aan een klomp steen met een deksel, die in 1923 werd ontdekt in Byblos. De Egyptoloog P.Montet brengt een sarcofaag aan het daglicht en treft er een inscriptie op aan. De afmetingen zijn 152 cm breed en 305 cm lang, althans volgens de catalogus van de overigens prachtige tentoonstelling I Fenici te Venetië (1988). Het boek De Levant (Könemann 1999/2000) lijkt wat preciezer te zijn: lengte 297 cm, breedte 115 cm, hoogte 140 cm. Het is een eerste voorbeeld over de verwarring en uitleg, zelfs bij zoiets eenvoudigs als de omvang van de doodskist.

Afbeelding Sarcofaag: ANEP 286, 456-459.

 

Eerste datering:

P.Montet publiceert zijn vondst in de publicatie: BYBLOS ET L’EGYPTE, Paris 1925 (blz 228-238). In het graf, waarin de sarcofaag werd gevonden, bevonden zich vazen met de naam van Ramses II (1279-1212 v.C). Het is geen wonder, dat in eerste instantie het object en de aangetroffen afbeeldingen en inscriptie gedateerd werden naar de 13e eeuw v.C.

Zie: R.Dussaud, Les inscriptions phéniciennes du tombe d’Ahiram, roi de Byblos, Syria 5, 1924, blz 135-157 + Syria 6, 1925, blz 104.

 

De eerste commentaren:

Vincent, Revue Biblique 24, 1925, blz 183 + 25, 1926, blz 463

Cook, Palestina Exploration Fund, 1925, blz 269

Albright, Journal Palestine Oriental Society 6, 1926, blz 76 + 7, 1927, blz 122.

Hans Bauer, Orientalische LiteraturZeitung 28, 1925, blz 129

 

Lokatie van het graf:

De koninklijke graven bevinden zich in de Noordwest-hoek van Byblos binnen de muren van de toenmalige stad. Voor wat betreft de opgravingen => Zie: M.Dunand, die van 1926-1973 hier actief is geweest.

 

Opmerking; de letters met speciale tekens worden zo goed mogelijk afgebeeld, zoals dat hoort. Daar waar dat niet goed mogelijk is OP DEZE COMPUTER, wordt bijvoorbeeld een punt, die eronder moet, achter de letter geplaatst!

 

Hoe ziet de sarcofaag er uit:

N.Jidejian beschrijft in 1968 de kist (Byblos through the Ages) en ook Porada (E.Porada, Notes on the Sarcophagus of Ahiram, JANES 5, 1973, blz 355-372.) doet dat in 1973 uitgebreid (zie Krings, blz 471).

De kist is uit een geheel gemaakt van kalksteen met daarop een rode beschildering. De sarcofaag wordt als decoratie gedragen door vier kruipende leeuwen.

Aan een kant van de sarcofaag wordt een koning of godheid afgebeeld op een troon en bewaakt door gevleugelde sfinxen.

In zijn linkerhand houdt hij een voorwerp of een bloem. Zijn voeten rusten op een voetenbankje. Voor hem staat een rijkelijk voorziene tafel, dan wel altaar. Hiernaartoe bewegen zich zeven personen (mogelijk hovelingen). Voorop loopt mogelijk de zoon? De twee uiteinden van de sarcofaag hebben gebeeldhouwde reliefs van vier vrouwen. Twee van hen slaan op hun borsten, of houden hun borsten vast en twee heffen hun armen boven hun hoofden in waarschijnlijk een pose van verdriet.

De andere kant van de sarcofaag laat een processie zien van personen, die geschenken of offerandes dragen en aanslepen. Allereerst twee vrouwen met manden op hun hoofden gevolgd door twee mannen, die kruiken dragen op hun schouders. Dan komt er een man, die een geit begeleidt en tenslotte drie personen met de handen opgeheven als begroeting, als uiting van verdriet, of biddend.

Boven deze reliefs is een fries aanwezig met lotusbloemen, die om beurten open of dicht zijn. Beneden het lotusbloemen motief is er een soort touw of koord aangegeven, dat om heel de sarcofaag heen loopt.

Op het deksel van de sarcofaag worden uitsteeksels (als een soort handvaten) gevormd door de koppen van twee leeuwen, die gebeeldhouwd zijn in een laag relief. Op dit deksel staat ook de beroemde inscriptie afgebeeld, waaronder nog een pseudo-hiëroglyphenschrift waarneembaar is. Voorts staan er op de deksel nog afbeeldingen van twee bebaarde mannen in een manteljurk-achtige kledij. Zijn dit Ahiram en Ittobaäl? Aan de bovenkant van de deksel is in laag relief de figuur op lichaamsgrootte van een koning(?) weergegeven.

(Zie o.a.: M.Haran, The Bas-Reliefs on the Sarcophagus of Ahiram, King of Byblos in the Light of Archeological and Literary Parallels fron the Ancient Near East, Isr.Expl.Journal, 1958, blz 15-25).

 

De invloeden:

De sfinxen functioneren in de late bronstijd bij Syrische tronen als dragers van de troon en zijn meer een structureel dan een decoratief element van de troon (Metzger, Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 259). De vleugels zouden normaal gesproken in de hals moeten beginnen, maar doen dat bij de Ahiram-sarcofaag pas bij de borst, hetgeen “anatomisch” vreemd is (Metzger, Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 264). De rechtopstaande staart vormt het begin van de rugleuning van de troon en is vergelijkbaar met vondsten te Garoub, Enkomi, Bogazkoy en met een Hyksos scarabee en divers Myceens werk (Metzger, Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 267). Over het algemeen geven de sfinxen echter een Egyptische invloed weer, zeker in combinatie met veelvuldig voorkomende lotusbloemen (Jidejian, Byblos through the Ages, 1968). De omgekeerde mogelijke lotusbloem in de hand van de man op de troon is het symbool van de dood. Samen met de fries geeft dit de Egyptische invloed weer (Mazel, Avec les Phéniciens…1971, blz 62 e.v.).

De leeuwen laten een Syrisch/Mesopotaamse invloed zien en dat geldt ook voor het touw-ontwerp (Jidejian, Byblos through the Ages). Mazel vermoedt, dat dat laatste wellicht in verbinding is te brengen met de invloed van de Zeevolken: het touw-motief zou in feite golven aangeven.

De leeuwen kunnen ook een Hettietische achtergrond hebben (Mazel, Avec les Phéniciens…1971, blz 62 e.v.). De troon, het gewaad, het kapsel geven de invloed van de Mesopotaamse kunst weer (Mazel, Avec les Phéniciens…1971, blz 62 e.v.).

Mazel ziet de vrouwen op de sarcofaag als klaagvrouwen in een Hebreeuwse en Fenicische rouwkledij (Saq). Zij rukken zich de haren uit het hoofd en krabben zich de borsten open. Harden heeft het in dit verband over Levantijnse tunieken met gordels (Harden, The Phoenicians, 1980, blz 173).

Als het al een begrafenisoptocht is, dan is de gelijkenis met het Adonis-festival eeuwen later frappant (Krings, blz 330).

 

Wie is de afgebeelde vorst op de troon?

De afgebeelde vorst op de troon is waarschijnlijk Ahiram vindt een meerderheid van de geleerden:

H.Gressmann, AOB blz 190 Zeitschrift fur die Alttestamentliche Wissenschaft 42, Giessen/Berlin 1924, blz 349

P.Montet, Byblos et L’Egypt, Textband 1928, blz 299 e.v.

L.H.Vincent, Les fouilles de Byblos, RB 34 1925, blz 182

R.Dussaud, Les quatres campagnes de fouilles … à Byblos, Syria 11, blz 181 e.v.

K.Galling, Bibliches RealLexikon 1937, blz 416

J.B.Pritchard, ANEP blz 302

H.Frankfort, Art and Architecture, blz 159 e.v.

M.Noth, Die Welt des Alten Testamentes, 1953, blz 125 e.v.

 

Toch is dit niet waarschijnlijk, als de sarcofaag uit de 13e/12e eeuw v.C stamt, of men zou een oorspronkelijke beeltenis dan verwijderd moeten hebben en vervangen door een nieuwe en daar zijn geen sporen van te zien. Blijft over, dat Ahiram toch teruggaat in tijd ook naar de 13e/12e eeuw v.C!

M.Haran is weer een heel andere mening toegedaan en stelt, dat de persoon een godheid is en mogelijk MOT. [M.Haran, The Bas-Reliefs on the Sarcophagus of Ahiram….]. Hij ziet het voorwerp in de hand niet als een omgekeerde lotusbloem, maar als een heerserstaf met leren riempjes (een soort gesel, zweepje). Bovendien staat er voor de figuur een altaartafel, waarnaar offerandes worden aangesleept (olie, geit, wijn e.d). Metzger ziet dat laatste echter als een tribuutbetaling aan de koning dan wel als zijn laatste avondmaal (Metzger, Königsthron und Gottesthron, 1985). Ook hier blijft het dus nog even gissen, wat nu feitelijk de waarheid is.

 

Globale inhoud van de aangetroffen inscriptie:

De zoon Ithobaäl maakt een sarcofaag voor zijn overleden vader Ahiram (koning van Byblos), waarbij hij eventuele grafschenners allerlei verschrikkingen toewenst.

KAI 1 = Kanaanäische und aramäische Inschriften, W.Röllig/H.Donner, Wiesbaden 1962-64 (3e ed:1971-76). TSSI III, 4: Textbook of Syrian Semitic Inscriptions, J.C.L.Gibson.

Ithobaäl behoeft niet de opvolgende koning te zijn. Het lijkt waarschijnlijk, dat hij dat niet is. Hij is weliswaar de zoon, maar er kunnen nog andere zonen zijn. Ithobaäl is de schrijver, die grote zorgen heeft over het graf van zijn vader en iedereen verwenst, dat het graf alsnog gaat schenden.

 

De namen:

naam
AHIRAM
ITHOBAAL
fenicisch
’hrm
’tb‘l
hebreeuws
ahirôm
’Etba‘al
akkadisch
 
Tu-ba-il/Tu-ba-’-lu
grieks
 
(E)ithobalos
latijns
 
Itibalis
betekenis
mijn broer is verheven/verheerlijkt
Baäl is met hem

 

Een andere datering:

Zoals gezegd werd de kist aangetroffen in een omgeving met 13e eeuwse voorwerpen, zoals een ivoren plaquette en 2 vazen met cartouches van Ramses II. Ook de gebeeldhouwde decoratie van de kist past goed bij de 13e eeuw. Zo stelt Dimitri Baramki nog in 1961, dat Ahiram een tijdgenoot van Rameses II (1298-1232 v.C) was (blz 25 Phoenicia and the Phoenicians).

Er waren echter ook potscherven aanwezig uit de vroeg-ijzer periode. Verder bleek er een ivoren beeldje (Montet CXLII nr.878) aanwezig te zijn, dat Barnett in 1982 (blz 46-47) op de 10e eeuw v.C gedateerd heeft (Krings blz 517). Bovendien bleek de inscriptie gedeeltelijk gegraveerd op delen van de deksel, die beschadigd waren! Sidney Smith suggereert dan ook al, dat de kist eerder en voor de tijd van Ahiram al werd gebruikt (Alalakh and Chronology, 1940, blz 46, note 117).

W.Culican schrijft dan ook in 1967 de stenen doodskist van Ahiram toe aan de 10e eeuw v.C en vind de oude inscripties van Thera en Rhodos veel lijken op die van Ahiram (Kooplieden blz 124+127). Er ligt ook een parallel met vondsten uit Kreta (Tekké).

De kist stamt dus wel uit de 13e/12e eeuw, maar de inscriptie met Ahiram en Ithobaäl uit een paar eeuwen later en wel op grond van vergelijkbare inscripties op beelden van Seshonq I (950-929 v.C) en Orsokon I (929-893 v.C)! Er is dus sprake van hergebruik!

Voor wie werd de kist in de 13e/12e eeuw dan wel gebruikt?

Uit de 14e eeuw kennen we nog een Rib-Addi (ca.1375-1355) via de El-Amarna brieven, maar die is dus te ver terug in tijd om serieus in aanmerking te komen. Verder kennen we uit de periode 13e/12e eeuw eigenlijk niemand.

Pas omstreeks 1075 komt er een koning Zakarbaäl in beeld t.t.v. de reis van de Egyptenaar Wen Amon naar zijn stad. Dan volgt er weer een hiaat tot c.950, wanneer de koning Yehimilk over Byblos regeert. In dit hiaat ware Ahiram te plaatsen en dan specifiek in de periode c.1000-950. Althans dit lijkt de meest gangbare opvatting te zijn van c.1940-1980 na Chr., maar niet iedereen denkt er zo over.

Bedenk overigens, dat zowel kist als deksel uit geheel andere tijden kunnen komen! Bijvoorbeeld de kist uit de 13e eeuw, maar de deksel uit de 14e of juist veel jonger. Wie zal het zeggen?

In ieder geval plaatst V.Krings deze in de “Manuel de recherche: La Civilisation Phénicienne et Punique, E.J.Brill, New York/Leiden/Leulen 1995” (op blz 225) vlak na de tijd van Ashur-bel-kala (1073-1056 v.C), die Arwad bezocht schijnt te hebben.

 

Een herdatering:

KAI 1 uit Byblos zou dus uit c.1000 v.C stammen. Paleografisch valt daar veel voor te zeggen, maar linguïstisch zijn er twijfels. Wat de rol van het speciale Bylos-dialect met het achtervoegsel”-h” en het betrekkelijk voornaamwoord “z”. Het oud-giblitisch zien we in de inscriptie van Ahiram naar voren komen bij de samenvoeging met de “t-“:

thtsp
 
dat [de scepter] zal breken
ththpk
dat [de troon] omver geworpen zal worden

 

M.Bernal pleit voor c.1400 v.C.als datering van de Ahiram-inscriptie op grond van het meeste objectieve criterium der linguïstiek, want hij zegt in zijn boek “Cadmeian Letters”, dat de Grieken het Fenicische alfabet al voor 1400 v.C kwamen lenen. Zelfs Rib-Addi komt dan weer in beeld als eerste gebruiker van de sracofaag. Ook G.Garbini in “Sulla datazione di Ahiram” (AION 37, 1977 blz 81-89) baseert Ahiram op c.13e eeuw vanwege de linguïstische verschijnselen, zoals:

-         de vorm van het relatieve voornaamwoord

-         eind stamletter van zwakke werkwoorden

-         het ontbreken van een definitief lidwoord

-         de vorm van het 3e mannelijke enkelvoudige voornaamwoord toevoeging

-         de infix-t vorm van het werkwoord

-         onveranderlijk rededeeltje ’l

-         de vorm van de naam ’hrm

[AION=Annali dell istituto Orientali di Napoli]

Deze linguïstische motieven zijn echter volgens Edward M.Cook te zwak voor een verschuiving van de datering met een paar eeuwen. De 7 argumenten worden bijna allemaal als niet overtuigend gezien, maar dus niet geheel.

JOURNAL NEAR EASTERN STUDIES 53, Univ.of Chicago,1994, On the Linguistic Dating of the Ahiram, Edward M.Cook, Inscription KAI 1.

We blijven dus nog even hierover twisten. Wat te denken bijvoorbeeld van het gebruik van de rechtopstaande kleine tussenstreepjes als scheidingstekens tussen de woorden. Dat is voor Fenicische zinnen heel ongebruikelijk en komt of voor bij heel archaïsche teksten als deze, of pas veel later weer bij Neo-Punische teksten. Het gebruik van de scheidingstekens pleit dus voor een hoge datering. Overigens ontbreken de scheidingstekens op twee plaatsen in de Ahiram inscriptie en wel een keer tussen MLK GBL en op het eind tussen YMH en SPRH.

                                                                         

Waarom is dat? Weggesleten of vergeten?

 

De inscriptie in details:

 

Hierbij zijn de meningen van Bauer (1925), Mentz (1944), Jidejian (1968), Mazel (1971), Magnanini (1973), Teixidor (1987) en Krahmalkov (2000) de veelal terugkerende ijkingspunten.

 

De eerste regel geeft nog het minste problemen. De naam van Ithobaäl wordt uiteindelijk goed gelezen en de betekenis komt vrijwel op hetzelfde neer.

 

’RN ZP‘L [.]SB‘L BN ’HRM MLK GBL L’HRM ’BH KšTH B‘LM
                                 

 

Bauer 1925:

Sarcofaag, die ..sba‘al, zoon van Ahiram, koning van Byblos, gemaakt heeft voor Ahiram, zijn vader, als een rustplaats in
de eeuwigheid.

 

Mentz 1944:

Sarcofaag, die ..sba‘al, zoon van Ahiram, koning van Byblos, gemaakt heeft voor Ahiram, zijn vader, als een rustplaats in de eeuwigheid.

 


 

’RN ZP‘L [.]TB‘L BN ’HRM MLK GBL L’HRM ’BH KšTH B‘LM
                                 

De S wordt voor de T ingeruild!

 


Jidejian 1968:


De kist, die (It)tobaal, zoon van Ahiram, koning van Byblos, maakte voor zijn vader als [verblijf]plaats in de eeuwigheid.

 

Mazel 1971:

Sarcofaag, die Ithobaäl, de zoon van Ahiram, koning van Gebal, heeft gemaakt voor zijn vader Ahiram als woning voor de eeuwigheid.

 

P.Magnanini 1973:

Sarcofaag, die [’]TB‘L, zoon van ’H.RM, koning van Byblos, gemaakt heeft voor zijn vader, waarin hij in bewoning is gegeven voor de eeuwigheid.

 

 

J.Teixidor 1987:

Sarcofaag, die Itthobaal, zoon van Ahiram, koning van Byblos, heeft gemaakt voor zijn vader, want hij heeft hem in het graf gelegd.

 

Opmerkelijk is, dat alleen J.Teixidor de specifieke aanduiding van eeuwigheid weg laat in zijn vertaling, daar waar ‘LM toch echt eeuwigheid betekent. [Javier Teixidor, L’inscription d’Ahirom à nouveau, CNRS, Paris, Syria 1987, blz 137 e.v.]

 

van Diessen 2004:

{Dit is de} sarcofaag, die [I]tobaäl, zoon van Ahiram, {die de} koning van Byblos {was}, gemaakt heeft voor zijn vader Ahiram, als eeuwige rustplaats.

 

 

Begin tweede regel:

Dit geeft al meer problemen en verschillende interpretaties!

 

W’L MLK BMLKM WSKN BS[K]NM WTM’ MKNT ‘LY GBL

 

Bauer 1925:


Begint een koning onder de koningen of een stadhouder onder de stadhouders en die een legerkamp tegen Gebal opricht

 

Mentz 1944:

Als een koning onder koningen of een stadhouder onder stadhouders en de gehele kust als een leger tegen Byblos optrekt

 

Al ras wordt duidelijk, dat de K in MKNT een H moet zijn:

                                            

W’L MLK BMLKM WSKN BS[K]NM WTM’ MHNT ‘LY GBL
                                

 

Jidejian: 1968:

En als een of andere koning, een of andere goeverneur, of een of andere legeraanvoerder Byblos aanvalt

 

Mazel: 1971


Indien een koning onder de koningen of een stadsvorst onder de stadsvorsten Gebel belegert

 

Magnanini: 1973


En als een koning tussen de koningen en een goeverneur tussen de goeverneurs en een bevelhebber van een legerkamp Byblos zal aanvallen

 

Uit deze vertalingen blijkt, dat men uitgaat van een soort aanval op Byblos. Dat hoeft niet zo te zijn. Albright (JAOS 67, 1947, blz 155) vertaalt al wat nauwkeuriger: het bestijgen of beklimmen van Byblos. Net zoals: ‘LH BYT’L het bestijgen van Bethel betekent. Deze analogie heeft S.Gevirtz al opgemerkt (VT 11, 1961, blz 147, note 1). Het gaat dus eigenlijk alleen maar om een machtsovername. Wie wordt de toekomstige koning van Byblos?

Voor zover bekend, heeft Byblos ook alleen in de tijd van Rib-Addi (1375-1355 v.C) te maken gehad met een militaire bedreiging, maar die is eigenlijk te “oud”. Bij Zakar-baäl (c.1075) kan ook sprake zijn van een militaire bedreiging door bijvoorbeeld de Tjeker of de Zakkari’s, terwijl dan de eerste Assyrische grote strooptocht door Tiglat-pileser I plaats vindt. In de 10e eeuw v.C heeft Byblos eigenlijk niet te maken met een serieuze militaire dreiging.

Waarschijnlijker is het echter, dat het in de Ahiram-inscriptie gaat om een wisseling van de regeringsmacht, of die nu legaal of illegaal zal zijn. Ittobaäl vreest, dat de nieuwe machthebber onwelgevallige restanten en inscripties van vorige koningen zou willen verwijderen en plaatst daarom enige waarschuwingen om dat niet te doen op de sarcofaag. [G.Garbini, I Fenici, Storia e religione, Napels, 1980, blz 61]


 

Teixidor 1987:


Indien een koning tussen de koningen, of een goeverneur tussen de goeverneurs, of een legeraanvoerder Byblos bestijgt

 

Het is verder merkwaardig, dat er wel gesproken wordt over een koning tussen koningen, over een goeverneur tussen goeverneurs, maar niet over een legeraanvoerder tussen legeraanvoerders. Wat kan hier bij Ithobaäl de bedoeling van zijn?

Krahmalkov [Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000] zoekt er niet veel achter en maakt juist een vereenvoudigde vertaling:

 

Krahmalkov 2000:

Als enige koning of enige goeverneur of enige generaal van het leger <die mij opvolgt als regeerder> over Byblos

 

Kan het echter zijn, dat Ithobaäl een geweldloze machtsovername door een koning of goeverneur waarschijnlijker achtte dan een militaire actie door een generaal? en dat hij daarom de toevoeging onder de legeraanvoerders weg laat?

 

Kan het zo zijn, dat er in Byblos sprake was van drie grote machtsfaktoren, namelijk:

1.de koning (hogepriester)

2.de goeverneur (Egyptische invloedsfeer)

3.de militaire commandant

En komt deze machtsdriedeling niet tot uiting in de in de volgende regel naar voren komende voorwerpen?

 

Had er niet eigenlijk volledig moeten staan:

 

van Diessen 2004:

Indien een koning tussen de koningen, of een goeverneur tussen de goeverneurs, of een legeraanvoerder {tussen de legeraanvoerders} {de troon van} Byblos bestijgt

 

Was Ithobaäl gewoon een beetje lui om het volledig in te krassen, of was er niet plaats genoeg? Of, waren er meerdere gegadigden voor het koningsschap en voor de post van goeverneur en was er een figuur mogelijk als militair commandant?

 

Een verder vervolg van de inscriptie en het begin van de vervloeking:

 

WYGL ’RN ZN THTSP HTR MšPTH THTPK THTPK KS’
                 ‘’    

 

Bauer 1925


en deze sarcofaag bloot legt, de scepter van zijn regering (zal breken), de troon van zijn heerschappij zal omvergegooid worden

 

Bauer komt met een plausibele vertaling, die door de jaren goeddeels stand zal houden, maar Mentz komt met een vergezochte Egyptische verklaring.

 

Mentz 1944


en (als hij) deze sarcofaag bloot legt, zal Hathor, die (daar) op let, afschrikken en door haar strafgerecht zal zij de troon van zijn koningschap omverwerpen

 

Jidejian 1968


en deze kist bloot legt, laat dan zijn juridische scepter breken, laat zijn koninklijke troon omver geworpen worden

 

Mazel 1971:

en deze sarcofaag ontdekt, dan zal de scepter van zijn macht worden gebroken, de troon van zijn koninkrijk zal omver geworden worden

 

Greenfield signaleerde al in Bulletin 8 (blz 254-257), dat

THTSP HTR MšPTH =

     ‘’    

dat de troon van zijn koninkrijk omver geworpen dient te worden.

 

De termen scepter (hoter) en troon (ks’) zijn de symbolen van het koningsschap, hetgeen zijn parallelen heeft met de Mesopotamse en Bijbelse literatuur. Er ligt ook een parallel met een inscriptie van Zincirli (Donner-Röllig KAI 214,8-9). De idee, dat de scepter van de koning “een scepter van gerechtigheid” is, sluit ook aan bij vergelijkbare teksten in de literatuur van het oude Nabije Oosten.

De tekst van Ahiram kondigt de bestraffing aan, die de koning/usurpator zal ondergaan door te zeggen, dat zijn scepter gebroken zal worden en zijn troon zal omver geworpen worden, net zoals dat in de tekst van Oegarit (UT 49, VI 27-29)

tot uiting komt en die H.L.Ginsberg (Orientalia 5, 1936, blz 197) als volgt vertaald heeft:”Overturned (be) the trone of thy Kingdom, broken the scepter of thy Rule”. Ginsberg vaagt zich zelfs af (note 3, blz 179) of de overeenkomst niet zodanig groot is, dat hier sprake is van een citaat uit het betreffende heldendicht. Van dit aangaat, is een en ander op een rij gezet door J.Teixidor in Syria, 1972, blz 431.

 

Magnanini 1973:

en deze sarcofaag zal ontbloten, dan zal zijn scepter van zijn macht breken en dan zal de troon van zijn regering omver geworpen worden

 

Teixidor 1987:

en deze sarcofaag opent, dat dan de scepter van zijn macht zal breken, dat zijn koninklijke troon omver geworpen zal worden

 

Krahmalkov 2000:

als hij deze grafkist zal verwijderen, dan zal zijn koninklijke scepter breken, zijn koninklijke troon zal omver geworpen worden

Verwijderen, ontbloten, ontdekken, openen van de sarcofaag.

Hou het gewoon bij openen, dat de meest plausibele vertaling van PTH is.

    

Verder hoort scepter bij “macht” en troon hoort bij het “koningsschap” en dat is betekenisvol onderscheid, dat ook te maken kan hebben met legitimiteit en usurpatie.

 

van Diessen 2004:

en deze sarcofaag opent, dat dan de scepter van zijn macht zal breken, dat zijn koninklijke troon omver geworpen zal worden

 

Is niet de troon het symbool van de koning, de scepter het symbool van de goeverneur en het voetenbankje het symbool van de militaire commandant, die over de vrede moet waken? Dat laatste komt in de volgende frase tot uiting:

 

Het vervolg, maar wel wezenlijk, is:

 

WNHT TBRH ‘L GBL
      

 

Bauer 1925:


en rust zal komen over Gebal

 

Mentz 1944:


en zal NHT tegen Byblos drijven
       

 

Bauer ziet Byblos nog tot rust komen, maar Mentz ziet wel correct, dat er onrust komt en laat NHT = Thot aanrukken.

                                    

Jidejian 1968:

en laat de vrede van Byblos heengaan

 

Mazel 1971:


en er zal vrede heersen over Gebel

 

Jidejian en Mazel hebben ook een tegengestelde mening over de (on)rust in Byblos!

 

M.Metzger heeft een bijzondere mening over de betekenis van NHT:Himmliche und Irdische Wohnstatt Jahwes (Ugaritische Forschungen 2, 1970, blz 157-158)

 

Hij brengt NH.T in verbinding met teksten van Oegarit (Vorderasiatische Bibliothek, DB 47). Zie ook: ANET 137, C.Gordon UT blz 254 regel 46-47, II Keret VI 23-24, ANET 149, C.Gordon, blz 127 regel 23-24.Hier worden genoemd:kse mlk,nht,kht drkt

                                                 -   ‘’

Metzger citeert dan II AB I, 34 (ANET 132,C.Gordon blz 170,tekst 51,I,34):

kht il nht = een godentroon, rust(zetel)

       -

De stelling van Metzger is, dat koningstroon (kse mlk) en

heerserszetel (kh.t. drkt) beiden in te lijsten zijn in de term nh.t, waardoor deze term ook de koningstroon betekent.

Dan verbindt Metzger nh.t met het Hebreeuwse mnwh.h (Is 11,10+66,1, Ps.132,14). Ook W.F.Albright deed dat met I Koningen 8,56 om nh.t in de Ahiram inscriptie te verklaren. De conclusie van Metzger is, dat nh.t niet een passieve welvaart betekent, maar een actieve, waarbij de bron de troon is. De troon maakt de welvaart en is daar niet het gevolg van.

Zo komt ook Metger tot de volgende vertaling:

 

Metzger 1970:


dat de vrede van Byblos zal weggaan

 

J. Teixidor plaatst hier in 1973 al de volgende kanttekeningen bij (Syria L 1973). De term nh.t verbindt zich zeker met het Oegaritische nh.t, maar de vergelijking met het Hebreeuwse mnwh.h lijkt niet bevredigend, zelfs als de twee termen betrekking hebben op dezelfde wortel. In de teksten van Oegarit betekent nh.t: podium, opstapje.

 

Andere verklaringen zijn bijvoorbeeld:

Ginsberg
ANET
 
 
baldakijn
troonhemel
Gordon
UT
 
 
baldakijn
troonhemel
Gray
KRT text
Leiden 1964
blz 28+76
baldakijn
troonhemel
Sauren
Kestemont
Keret, roi de Hubur
Ugar.Forsch.3 1971
blz 219
divan

 

De vertaling van Metzger als “rust(zetel)” geeft aan de term een abstracte betekenis, die niet goed past bij de context, meent Teixidor. Het is waar, dat men gebruikelijk in de tekst van Byblos nh.t vertaalt met “vrede”, maar ook dat houdt niet voldoende rekening met de context. Teixidor verwijst naar de Oegaritische tekst (IAB VI 27-28, Gordon UT blz 169 tekst 49, ANET 141, Th.Gaster Thespis 1966, blz 227), waarbij de koning van Oegarit de lementen van zijn macht opsomt:alt tbtk, ksa mlkk et ht mtptk

                      -                 -‘  - ‘

= het podium, de stoel en scepter van de koning van Oegarit lijken de parallel met de tekst van Byblos in te houden en men dient dus nh.t te vertalen met podium of voetenbankje. Dat staat ook daadwerkelijk op de sarcofaag van Ahiram afgebeeld!

Ginsberg (Orientalia 1936 blz 179), Albright (JAOS 67, 1947 blz 156), Gevirtz (VT 11, 1961 blz 147) en Greenfield (Bull.1972 blz 105) hebben dit parallelisme evenzeer opgemerkt, maar ze blijven volgens Teixidor onvolledig, omdat ze nh.t in de Ahiram inscriptie blijven vertalen met: vrede.

Volgens Teixidor kan nh.t slechts een concreet voorwerp zijn, zoals de stoel en de scepter van de koning, maar in de frase van nht tbrh ‘l gbl is weer een vertaling met voetenbankje

                                         

moeilijk te plaatsen!

Men houdt dus toch op: dat de vrede uit Byblos wegvlucht.

Het is niet bevredigend, omdat dan de betekenis van het voorzetsel ‘l geweld wordt aangedaan.

Maar waarom kan nh.t eigenlijk niet twee betekenissen hebben?

In de Nederlandse taal betekent pier bijvoorbeeld zowel worm als havendam!

 

Magnanini 1973:


en de vrede zal uit Byblos wegvluchten

 

Teixidor 1987:


en dat de rust voor wat betreft Byblos zal verdwijnen

 

Krahmalkov 2000:


en de vrede zal uit Byblos verdwijnen

 

van Diessen 2004:

en dat de rust {gesymboliseerd door het voetenbankje} voor wat betreft Byblos zal verdwijnen

 

 

En tenslotte de laatste frase:

 

WH’ YMH SPRH LPP ŠBL
     

 

Mentz 1944:


en deze zal zijn inscriptie uitwissen, zoals de uitspraak van de weger aangeeft.

 

Onder de weger verstaat Mentz Anubis. Mentz blijft wel konsekwent in het vinden van de oplossing op de Egyptische manier.

 

Jidejian 1968:


en voor wat hem betreft laat een vagebond (?) zijn inscriptie(s) uitvlakken.

 

Jidejian zet zelf al een vraagteken bij deze oplossing.

 

Mazel 1971:

wat hem (de heiligschenner) betreft, zijn inscriptie zal verdwijnen uit de ingang van de onderwereld.

 

Mazel haalt er om onduidelijk gebleven redenen de onderwereld bij.

 

Magnanini 1973:


en wat hem betreft, dat men zijn inscriptie zal uitwissen …. ….

 

De vertaling van beide laatste woorden is niet mogelijk, zegt Magnani en dat is verstandig bij de wel zeer onduidelijke laatste woorden op de sarcofaag.

 

Maar dan komt Javier Teixidor, want hij heeft van Jean Starckey een tot dan toe nog niet uitgegeven reproductie van de sarcofaag gekregen, waardoor het einde van de inscriptie beter gelezen kan worden. Zie: J.Teixidor, L’inscription d’Ahirom à nouveau, CRNS, Paris, Syria LXIV 1987, blz 137.

 

Er blijkt te staan: LPN GBL

Reeds N.Aimé-Giron stelde dan ook in 1943 (Annales du Service des Antiquités de l’Egypte 42, Caïro, blz 316) al voor om LPN te lezen, waarbij hij onderstreepte, dat bij de dan beschikbare documentatie het niet kon om daarna GBL te lezen.

En bij de informatie van Starkey kan het nu dus wel.

 

Teixidor 1987:

dat zijn inscriptie uitgewist zal worden in het aanzicht van Byblos.

 

Krahmalkov 2000:

en als hij deze inscriptie zal uitwissen, dan zal zijn lange <koninklijke> sleepjurk scheuren.

 

Krahmalkov negeert de bevindingen van Teixidor, of heeft dat gewoon gemist. Hij leest nog LPP šBL. Bovendien denkt hij, dat het uitwissen van de inscriptie die van Ittobaäl is en niet die van de nieuwe heerser. L-P-P = scheuren (blz 262 Dictionary).

Het is onduidelijk hoe hij met šBL tot de lange sleepjurk komt.

 

van Diessen 2004:

dat zijn inscriptie uitgewist zal worden in het aanschijn van Byblos.

 

Ik denk, dat de vervloeking voortgaat en dat ook de nieuwe inscriptie van de opvolger dan uitgevlakt dient te worden.

 

In zijn totaliteit in enigszins begrijpelijk Nederlands:

 

{Dit is de} sarcofaag, die [I]tobaäl, zoon van Ahiram, {die de} koning van Byblos {was}, gemaakt heeft voor zijn vader Ahiram, als eeuwige rustplaats.
Indien een koning tussen de koningen, of een goeverneur tussen de goeverneurs, of een legeraanvoerder {tussen de legeraanvoerders} {de troon van} Byblos bestijgt
en deze sarcofaag opent, dat dan de scepter van zijn macht zal breken, dat zijn koninklijke troon omver geworpen zal worden
en dat de rust {gesymboliseerd door het voetenbankje} voor wat betreft Byblos zal verdwijnen en dat zijn inscriptie uitgewist zal worden in het aanschijn van Byblos.

 

H.R.van Diessen, Apeldoorn,  april 2004.

 

Literatuur


 

-KAI 1 = Kanaanäische und aramäische Inschriften, W.Röllig/H.Donner, Wiesbaden 1962-64 (3e ed:1971-76).

-TSSI III, 4: Textbook of Syrian Semitic Inscriptions, J.C.L.Gibson.

-catalogus van de tentoonstelling I Fenici te Venetië (1988).

-De Levant Könemann 1999/2000

-P.Montet: BYBLOS ET L’EGYPTE, Paris 1925 blz 228-238

-P.Montet, Byblos et L’Egypt, Textband 1928, blz 299 e.v.

-R.Dussaud, Les quatres campagnes de fouilles … à Byblos, Syria 11, blz 181 e.v.

-R.Dussaud, Les inscriptions phéniciennes du tombe d’Ahiram, roi de Byblos, Syria 5, 1924, blz 135-157 + Syria 6, 1925, blz 104.

-Vincent, Revue Biblique 24, 1925, blz 183 + 25, 1926, blz 463

-L.H.Vincent, Les fouilles de Byblos, RB 34 1925, blz 182

-Cook, Palestina Exploration Fund, 1925, blz 269

-E.M.Cook, On the linguistic dating of the Phoenician Ahiram Inscription, Hebrew Union College, Cincinnati, Journal of Near Eastern Studies, jan.1994, vol 53, nr.1.

-M.Bernal, Cadmeian Letters

-Albright, Journal Palestine Oriental Society 6, 1926, blz 76 + 7, 1927, blz 122.

-Albright (JAOS 67, 1947 blz 156),

-Hans Bauer, OLZ 28, 1925, blz 129

-E.Porada, Notes on the Sarcophagus of Ahiram, JANES 5, 1973, blz 355-372.

-M.Haran, The Bas-Reliefs on the Sarcophagus of Ahiram, King of Byblos in the Light of -Archeological and Literary Parallels from the Ancient Near East, Isr.Expl.Journal, 1958, blz 15-25

-M.Metzger, Königsthron und Gottesthron, 1985, blz 259+264+267

-M.Metzger:Himmliche und Irdische Wohnstatt Jahwes Ugaritische Forschungen 2,1970, blz 157-158

-Vorderasiatische Bibliothek, DB 47.

-Jidejian, Byblos through the Ages, 1968.

-Mazel, Avec les Phéniciens à la poursuite du soleil sur la route de l’or et de l’etain…1971, blz 62 e.v.

-H.Gressmann, AOB blz 190 ZAW 42, 1924, blz 349

-K.Galling, BRL 1937, blz 416

-J.B.Pritchard, ANEP blz 302

-H.Frankfort, Art and Architecture, blz 159 e.v.

-M.Noth, Die Welt des Alten Testamentes, 1953, blz 125 e.v.

-D.Harden, The Phoenicians, 1980, blz 173

-Alalakh and Chronology, 1940, blz 46, note 117

-G.Garbini “Sulla datazione di Ahiram” (AION 37, 1977 blz 81-89)

-JOURNAL NEAR EASTERN STUDIES 53, Univ.of Chicago,1994, On the Linguistic Dating of the Ahiram, Edward M.Cook, Inscription KAI 1

-G.Garbini, I Fenici, Storia e religione, Napels, 1980, blz 61


-S.Gevirtz (VT 11, 1961, blz 147, note 1).

-Krahmalkov [Phoenician-Punic Dictionary, Leuven 2000]

-Oegarit (UT 49, VI 27-29)

-H.L.Ginsberg (Orientalia 5, 1936, blz 197+ (note 3, blz 179)

-H.L.Ginsberg (Orientalia 1936 blz 179),

-J.Teixidor in Syria, 1972, blz 431

-J.Teixidor (Syria L 1973 BES)

-J.Teixidor (Syria LXIV 1987, blz 137) L’inscription d’Ahiram à nouveau

-ANET: The Ancient Near Eastern Texts relating to the Old Testament, 3e ed.Princeton, 1969, J.B.Pritchard (ed).

-ANET 137, C.Gordon UT blz 254 regel 46-47, II Keret VI 23-24

-ANET 149, C.Gordon, blz 127 regel 23-24.

-ANET 132,C.Gordon blz 170,tekst 51,I,34

-Isaia 11,10+66,1

-Psalmen.132,14

-I Koningen 8,56

Gray
KRT text
Leiden 1964
blz 28+76
Sauren
Kestemont
Keret, roi de Hubur
Ugar.Forsch.3 1971
blz 219

-IAB VI 27-28, Gordon UT blz 169 tekst 49, ANET 141

-Th.Gaster Thespis 1966, blz 227

-Greenfield (Bull.1972 blz 105)

-R.Hachmann, Das Königsgrab von Jbeil (Byblos), Istanbuler Mitteilungen 17, 1967, blz 93-114

-M.Chébab, Observations au sujet du sarcophage d’Ahiram, Mélanges de l’Université Saint Joseph, nr 14, 1970, blz 107-117, Beyrouth.

-W.Röllig, Die Ahirom-Inschrift, Festschrift fur U.Hausmann, Tubingen, 1982, blz 367-373.

-B.Mazar, The Early Biblical Period, Historical Studies, Jerusalem 1986, blz 231-247.

-D.Baramki, Phoenicia and the Phoenicians, Beirut, 1961.

-W.Culican, De kooplieden van de Levant, Amsterdam/Brussel, 1967, i.e.v.v.M.Gerritsen.

-A.Massa, The Phoenicians, Minerva, Genève, 1977 (blz 16+112).

-P.Magnanini, Le iscrizioni fenicie dell’oriente, Roma 1973.

-N.Aimé-Giron, 1943 ASAE 42, blz 316

- V.Krings “Manuel de recherche: La Civilisation Phénicienne et Punique, E.J.Brill, New York/Leiden/Leulen 1995”(blz 225, 230, 293, 471, 517).

 

Ahi‑qu‑mu:       Gereconstrueerde naam, voorkomend in JADD 513 R4.

 

Ahituv, S:         Boek:Canaanite toponyms in ancient egyptian documents




 




 

 

'HLB*L:             Fenicische naam(1xteruggevonden).

 

'HLMLK:             Fenicische naam(1xteruggevonden).

 

''M:               Fenicische naam(1xteruggevonden).

 

'HMN:               Fenicische naam(1xteruggevonden).

 

'NDB:              Fenicische naam(1xteruggevonden).

ḥnds:            

 

'*LN:              Neo‑Punische naam.

 

Ahotmilk:           eigennaam.____________________

 


Afbeelding

                                                   ____________________



 

'R:                Punische naam(1xteruggevonden).

  '

'RM:               Fenicische naam(1xteruggevonden).

  '

'S(H)BN:         Neo‑Punische naam uit San Antioco(1x).

  '

'TMYLKT:       Neo‑Punische naam uit Maktar(2 x geregistreerd).

  '

'HYY'GL:           Neo‑Punische naam(1 x geregistreerd,Jongeling).

 

Ai                     BK2 ijzer

 

Aïbousim:           Het huidige Ibiza, een eiland van de Balearen, dat volgens de overlevering in 654 door de Carthagers vereerd wordt met een kolonie. Na 201 wordt het eiland weer van vreemde smetten vrij om in 123 tenslotte door de Romeinen overgenomen wordt. ZIE:IBIZA.

 

AIEO:                afkorting voor de periodiek:Annales Institut d'études Orientales.

 

Aigithalos:        Het schiereiland voor de westpunt van Sicilië. Het schermt de baai van Motya af van de open zee.

 

Aïn Cherchouch: vindplaats Noord-Afrika

 

Aïn Dahlia Kebira: necropolis achter Tanger.

 

Aïnel:               plaats in de Libanon

 

Ain el-Hayat:     heiligdom bij Amrit.

 

Ain el‑Kebch:    plaats in Algerije, waar Neo‑Punische inscripties gevonden zijn.

 

Aïn Tounga:      vindplaats in Noord-Afrika (Thignica).


 




Ain Youssef:    plaats in Algerije, waar Neo‑Punische inscripties gevonden zijn. Het is identiek aan Naraggara.

 

Aïn Zakkar:       vindplaats Ceres inscriptie in Noord-Afrika.

 

Aïranim:            Pantelleria. Eiland in de Middellandse zee ten zuiden van Sicilië en ten oosten van Kaap Bon. Het eiland geraakt pas definitief in Romeinse handen in de tweede Carthaags/ Romeinse oorlog. Het eiland was echter van de vroegste tijden der Fenicische zeevaart een relaisstation in de hoge zee. Dat betekent, dat het eiland als zodanig reeds dienst deed in de tiende eeuw.

                              ________________________

 

                              ________________________

Zie voorts Studi Semitici 19: Mozia‑II 1966, Istituto di studi del vicino oriente, universita' di Roma. Ricognizione archeologica a Pantelleria:Alessandro Verger.

          vervolg Aïranim:

          _______________________________________________________________________

          KAART

                               Pantelleria

 

 

                                    M.S.Elmo

 

                                                                    Gadir

 

 

                                    M Gelkamar

 

 

 

 

                                                                     Tracino

 

 

                                      Porto

                                      di

                                      Scauri

 

                                             Porto

                                             di

                                             Nika

 

 

                                                      Salto della vecchia

                                                      Punta Molinazzo

                          ______________________________________________________

 

AJA:                afkorting voor het tijdschrift American Journal of Archaeology.

 

AJSL:               afkorting voor het tijdschrift American Journal of Semitic Languages and Literatures.

 

Akary:             koning van Byblos tussen 1690 en 1670.

 

Akation:            Een klein hulpzeil, dat de Feniciërs en Carthagers veelvuldig benutten. Het was bevestigd aan de boeg van een schip en diende in zeegevechten om te vluchten bij dreigende overvaring door andere schepen.

 

Akäy:               koning van Byblos tussen 1670 en 1650.

 

'KBRS:              Neopunische naam(1 x geregistreerd,Jongeling).

 

'KBRT:              Punische naam(1xteruggevonden).

 

Akht:               de naam komt voor in de Oegarit legenden. Hij is de zoon van koning Danel(Dn'il). Hij krijgt van Kothar en Kharsis(de smeden van de goden) een boog. Deze enorm sterke en mooie boog wil Anat zich toeëigenen, maar Akht weigert hem af te staan. Daarop verandert Anat een volgeling van haar (Jatpan) in een gier, die Akht doodt.

 

Akhzib:             Fenicische stad tussen Tyrus en Acco, gelegen aan een kleine kaap voor de kust. Er werden opgravingen verricht door J Whittaker, waarbij veel rode keramiekscherven werden gevonden.


kaart

                                          ________________________



 

                                          ________________________

Zie:Harris, Grammar of Fenician, blz 76. Akhzib werd in de oudheid ook wel Ecdippa genoemd.

Tegenwoordig heet de plaats Zib en ligt in de grensstreek van Israël en Libanon. De gevonden keramiek stamt uit de achtste eeuw. In grote lijnen volgt Akhzib de geschiedenis van Tyrus. Er zijn echter nauwelijks historische feiten bekend over de lotgevallen van de kleine nederzetting, die in

belangrijkheid achterblijft bij bijvoorbeeld Accra. Akhzib ligt op een kleine kaap aan de monding van

een kleine rivier. De gegeven fysische omstandigheden zijn niet bepaald gunstig voor een grote nederzetting. Akhzib leefde vermoedelijk van de visvangst en de landbouw.

 

Akkad               BK2: Mesopotaamse staat.
NCFPS

Geen opmerkingen:

Een reactie posten